Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX8387
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene regelmatig langere perioden niet voornamelijk in de bijstandverstrekkende gemeente heeft verbleven, zonder daarvan mededeling te doen. Schending van de inlichtingenverplichting. In tijden dat betrokkenes relatie met haar partner niet was verbroken, verbleef zij niet alleen in diens woning, maar ook regelmatig bij haar kinderen en kleinkinderen en in haar eigen flatwoning. Vanaf welke datum heeft betrokken haar woonplaats verplaatst naar haar huidige woonplaats?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 04/5806 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat te Made, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 augustus 2004, reg.nr. 03/1267 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Toorn-Volkers, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.A.C. Helmonds, werkzaam bij de gemeente Geertruidenberg.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft van 1 november 1997 tot en met 31 maart 2000 van gedaagde een periodieke uitkering ontvangen ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Tevens is aan haar in de maanden mei 2001 en oktober 2001 bijzondere bijstand verleend. Met ingang van 1 april 2000 heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) aan appellante een pensioen toegekend ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Naar aanleiding van een melding van de Opsporingsdienst van de Svb in oktober 2002, dat appellante mogelijk al gedurende de periode dat zij bijstand ontving een gezamenlijke huishouding voert met [partner] in diens woning te [woonplaats], heeft de Afdeling Fraudebestrijding van de gemeente Breda een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is gebruik gemaakt van de onderzoeksgegevens van de Svb, waaronder bankgegevens, getuigenverklaringen en verklaringen van appellante en [partner]. Verder heeft de Afdeling Fraudebestrijding, in samenwerking met de Opsporingsdienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), appellante en [partner] nader gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 december 2002. De Svb heeft, na een eerdere herziening van het AOW-pensioen van appellante per 1 april 2000, uiteindelijk besloten om haar ouderdomspensioen met ingang van 1 mei 2002 te herzien naar de norm voor een gehuwde pensioengerechtigde in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding.

De onderzoeksgegevens zijn voor gedaagde aanleiding geweest om bij besluit van 13 december 2002 het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2000, alsmede over de maanden mei en oktober 2001, te herzien (lees: in te trekken), wegens schending van de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op appellante rustende inlichtingenverplichting en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.801,98 van haar terug te vorderen. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat uit het onderzoek is gebleken dat appellante regelmatig langere perioden niet voornamelijk in de gemeente [naam gemeente] heeft verbleven, zonder daarvan mededeling te doen aan gedaagde.

Bij besluit van 22 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 13 december 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 april 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de Svb onderzoek heeft gedaan in verband met het haar vanaf 1 april 2000 toegekende AOW-pensioen, en dat de onderzoeksgegevens niet zien op de periode waarover aan haar bijstand is verstrekt. Zij stelt tot haar verhuizing naar de woning van [partner], per april 2002, haar hoofdverblijf te hebben gehouden in haar eigen flat in [naam gemeente]. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante onder meer verwezen naar de diverse getuigenverklaringen die in de strafzaak tegen haar tegenover de rechter-commissaris zijn afgelegd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het besluit van 22 april 2003 berust, voorzover daarbij de intrekking van het recht op bijstand is gehandhaafd, in essentie op de stelling dat appellante vanaf januari 1999 haar hoofdverblijf had in de woning van [partner] in [woonplaats] en dat sprake was van een financiële verstrengeling. Daarbij is aangetekend dat er sprake was van een relatie die soms voor korte perioden werd onderbroken, waarbij niet geheel duidelijk is welke perioden dit betreft. Gedaagde heeft appellante schending van de ingevolge artikel 65 van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting verweten en daaraan de conclusie verbonden dat, indien appellante die inlichtingenverplichting wel zou zijn nagekomen, door de afdeling Sociale Zaken een besluit zou zijn genomen dat het recht op uitkering niet meer bestond. Vervolgens heeft gedaagde overwogen dat door het niet nakomen van de inlichtingenverplichting nu achteraf moet worden vastgesteld dat het recht op uitkering niet is vast te stellen.

De Raad wijst erop dat de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting niet verder strekt dan tot datgene wat van belang is voor de verlening of voortzetting van verleende bijstand door het bijstandverlenend orgaan. Zoals de Raad reeds vaker heeft uitgesproken, is het niet aan gedaagde om te vast te stellen of en zo ja, gedurende welke periode(n) een belanghebbende in een andere gemeente dan [naam gemeente] wel of niet een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd. Informatie over verblijf van een belanghebbende in een andere Nederlandse gemeente dan [naam gemeente] is wel relevant voor het (voortduren van het) recht op bijstand jegens gedaagde in het kader van beoordeling van de vraag of de belanghebbende in de gemeente [naam gemeente] (nog) woonplaats heeft als omschreven in artikel 63, eerste lid, van de Abw. Is dat niet het geval, dan volgt daaruit immers dat jegens gedaagde geen recht op bijstand (meer) bestaat. In het kader van de heroverweging van het besluit van 13 december 2002 had het dan ook op de weg van gedaagde gelegen om nader te beoordelen of appellante ten tijde in geding nog haar woonplaats had in de gemeente [naam gemeente], zoals bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Abw.

Nu gedaagde dit heeft nagelaten moet worden geconcludeerd dat het besluit van 22 april 2003, voorzover het de intrekking van het recht op bijstand betreft, berust op een ondeugdelijke motivering. Daarmee komt tevens de grondslag aan het door gedaagde gehandhaafde terugvorderingsbesluit te ontvallen. Een en ander betekent dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 22 april 2003 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Hij beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Naar het oordeel van de Raad sluit dit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden geacht kan worden te zijn opgebroken. De Raad vindt hiervoor mede steun in de wetsgeschiedenis van artikel 1:11, eerste lid, van het BW. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van het Abw dient naar het oordeel van de Raad dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Op grond van de thans beschikbare gegevens, waaronder met name de verklaringen van appellante, haar dochter en [partner], alsmede de door diverse familieleden en buren van [partner] op 17 juli 2003 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen, is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat appellante en [partner] een relatie hebben gehad die 5 ŕ 6 maal "goed uit" is geweest in de hier van belang zijnde periode. In tijden dat haar relatie met [partner] niet was verbroken, verbleef zij niet alleen in diens woning, maar ook regelmatig - zowel overdag als ook wel ’s nachts - bij haar dochter en kleinkinderen in [woonplaats] of in haar eigen flatwoning in [naam gemeente], waar zich haar meubilair en overige persoonlijke bezittingen bevonden en waar zij (familie)bezoek ontving. Hoewel appellante ook naar het oordeel van de Raad in tijden dat haar relatie met [partner] niet was verbroken veelvuldig van huis was, is er onvoldoende grondslag om aan te nemen dat zij eerder dan in 2002 haar woonplaats heeft verplaatst van [naam gemeente] naar [woonplaats].

Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden gezegd dat appellante jegens gedaagde geen recht op bijstand meer had in de hier van belang zijnde periode. Dit betekent dat het besluit van 13 december 2002 eveneens op een ondeugdelijke grondslag berust. De Raad zal dit besluit daarom herroepen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 22 april 2003;
Herroept het besluit van 13 december 2002;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Geertruidenberg;
Bepaalt dat de gemeente Geertruidenberg aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x