Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX8765
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Schending van de inlichtingenverplichting. Verzwegen bankrekeningen in BelgiŽ. De nieuwe bijstandsaanvraag is ten onrechte buiten behandeling gelaten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5747 NABW en 04/5748 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 7 september 2004, 03/3115 en 04/891 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College).

Datum uitspraak: 23 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.A. Braams, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 05/6371 NABW, plaatsgevonden op 11 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Braams. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.A.J. Wilbers, werkzaam bij de gemeente Helmond. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het geding met reg.nr. 05/6371 NABW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1995 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Uit informatie van de Sociale Recherche van de gemeente Helmond, neergelegd in een rapport van 13 december 2002, is naar voren gekomen dat appellante sedert 19 juli 1995 bij de Fortis bank in BelgiŽ twee bankrekeningen op haar naam had staan, welk gegeven niet bij het College bekend was. Het betrof een spaarrekening met nr. [nr. 1] (hierna: spaarrekening) en een zichtrekening, met een daaraan verbonden dollarrekening, met nr. [nr.] (hierna: zichtrekening), over welke rekeningen appellante als enige beschikkingsbevoegd was. In verband met diverse transacties die op deze rekeningen hebben plaatsgevonden varieerden de saldi op de spaarrekening van Ä 29.036,26 op 7 januari 1997 tot Ä 3.038,55 bij de opheffing van die rekening in maart 2002. Op de zichtrekening stond op 24 maart 1999 een bedrag van Ä 100.978,33, op 6 maart 2002 Ä 50.703,43 en op 7 maart 2002 een bedrag van Ä 38.859,82. De zichtrekening is in juli 2003 opgeheven. Appellante heeft tegenover de Sociale Recherche op 2 december 2002 verklaard niet bekend te zijn met deze bankrekeningen.

De bevindingen van de Sociale Recherche zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 20 januari 2003 het recht van appellante op bijstand te beŽindigen met ingang van 1 november 2002 en in te trekken over de periode van 1 juli 1997 tot 1 november 2002, alsmede de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 62.262,76 van appellante terug te vorderen.
Bij besluit op bezwaar van 28 september 2003 heeft het College het besluit van 20 januari 2003 gehandhaafd. Aan zijn besluitvorming heeft het College ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand van appellante over de hier aan de orde zijnde periode niet (meer) kan worden vastgesteld. Tegen het besluit van 28 september 2003 heeft appellante geen beroep ingesteld.

Inmiddels had appellante op 5 februari 2003 een aanvraag om bijstand ingevolge de Abw ingediend. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 15 april 2003 waarbij het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling heeft genomen op de grond dat appellante niet uiterlijk op 15 april 2003 de verzochte afschriften van haar zichtrekening heeft overgelegd. Bij besluit van 7 november 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2003 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 september 2003 heeft het College een nieuwe aanvraag om bijstand van appellante van 21 mei 2003 met toepassing van artikel 65, eerste lid, van de Abw afgewezen op de grond dat betrokkene onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt omtrent haar financiŽle situatie ten tijde hier van belang ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. De afwijzing van deze aanvraag is aan de orde in het hierboven genoemde geding met nr. 05/6371.

Op 28 augustus 2003 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 27 oktober 2003 heeft het College deze aanvraag, evenals de aanvraag van 5 februari 2003, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet in behandeling genomen. Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 7 november 2003 en 3 maart 2004 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Het wettelijk kader

Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.



De aanvraag van 5 februari 2003

Het College heeft appellante bij brieven van 11 en 26 maart 2003 in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen door uiterlijk op de in deze brieven aangegeven data onder meer de afschriften van haar zichtrekening van de laatste drie maanden in te leveren. Appellante heeft telefonisch om een verlenging van de termijnen verzocht daar zij (nog) niet beschikte over de verzochte afschriften. Bij brief van 11 april 2003 heeft het College appellante verzocht desbetreffende afschriften uiterlijk op 15 april 2003 over te leggen. Daarbij is aangegeven dat indien de gevraagde gegevens niet of te laat worden verstrekt de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen.

De Raad stelt vast dat appellante de gevraagde afschriften van haar zichtrekening niet op 15 april 2003 heeft overgelegd. Nu deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en appellante ook niet binnen de geboden termijn heeft aangegeven redelijkerwijs niet over de gevraagde gegevens te kunnen beschikken, was gedaagde bevoegd de aanvraag niet te behandelen. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling laten van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Het College heeft zich naar het oordeel van de Raad voorts terecht op het standpunt gesteld dat met de na 15 april 2003 overgelegde gegevens geen rekening meer kan worden gehouden. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 16 april 2002, LJN AJ9915, brengt de aard en inhoud van een primair besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand, met zich mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken.

De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat zij alles in het werk heeft gesteld om de verzochte gegevens te verkrijgen zodat alsnog met de na de hersteltermijn overgelegde gegevens rekening moet worden gehouden. De Raad wijst er in dit verband op dat appellante geen gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij direct na het verzoek van 11 maart 2003 de bankafschriften heeft opgevraagd bij de Fortis bank. Tevens is niet komen vast te staan wat de oorzaak is geweest van de vermeende vertraagde afhandeling door de bank, waardoor eerst na zeven maanden de bankafschriften zijn overgelegd. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de door het College bij de Fortis bank ingewonnen informatie blijkt dat bankafschriften doorgaans binnen een maand kunnen worden verstrekt.

In zoverre slaagt het hoger beroep derhalve niet.



De aanvraag van 28 augustus 2003

Nadat uit de transacties van geldbedragen op de bankrekeningen van appellante was gebleken dat op naam van appellante op 17 april 2001 een levensverzekering is afgesloten en dat op 6 maart 2002 de afkoopsom van deze polis tot een bedrag van Ä 26.567,78 is uitbetaald, heeft het College bij brief van 22 september 2003 appellante onder meer verzocht om gegevens met betrekking tot deze levensverzekering. Vervolgens heeft appellante voldaan aan het verzoek van 22 september 2003. Zij heeft onder meer de polis van de levensverzekering aan het College overgelegd. Uit de door appellante verstrekte gegevens heeft het College vervolgens afgeleid dat de afkoopsom van de polis op 6 maart 2002 is gestort op de zichtrekening van appellante en dat van deze rekening op 8 maart 2002 een bedrag van Ä 11.853,61 in contanten is opgenomen. De hieromtrent afgegeven verklaring van appellante dat zij niet bekend was met de levensverzekering, dat het niet haar handtekening is die op de polis staat en dat slechts Hall de beschikking heeft gehad over de op de zichtrekening gestorte afkoopsom van deze verzekering heeft het College niet deugdelijk geacht en om deze reden is de aanvraag om bijstand van 28 augustus 2003 niet in behandeling genomen.

De Raad is van oordeel dat het College in deze situatie niet bevoegd kan worden geacht om toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Appellante heeft immers de voor de beoordeling van het recht op bijstand benodigde gegevens, zoals vermeld in het verzoek van het College van 22 september 2003, overgelegd en daarover nader verklaard, en het College heeft deze gegevens en de daaromtrent door appellante afgelegde verklaring ook beoordeeld, hetgeen het College heeft gebracht tot de conclusie dat die verklaring niet deugdelijk is. In deze motivering van het College ligt naar het oordeel van de Raad besloten dat op de aanvraag van appellante van 28 augustus 2003 wel inhoudelijk kon worden beslist.

Het besluit van 3 maart 2004, waarbij het College zijn besluit van 27 oktober 2003 tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag heeft gehandhaafd, kan derhalve niet in stand blijven. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 3 maart 2004 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet.
De Raad ziet vervolgens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 27 oktober 2003 te herroepen en de aanvraag van 28 augustus 2003 af te wijzen, op de grond dat - geheel in de lijn van hetgeen de Raad in het geding tussen het College en appellante met nr. 05/6371 NABW bij uitspraak van heden heeft geoordeeld met betrekking tot de aanvraag van 21 mei 2003 - appellante haar informatieverplichting omtrent haar financiŽle positie ten tijde hier van belang niet is nagekomen ten gevolge waarvan haar recht op bijstand niet is vast te stellen. Kortheidshalve verwijst de Raad naar de hierop betrekking hebbende overwegingen van die uitspraak.



De proceskosten

In het geding dat ziet op het besluit van 7 november 2003 acht de Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. De Raad ziet wel aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in het geding dat betrekking heeft op het besluit van 3 maart 2004. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- in beroep en op Ä 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op het beroep tegen het besluit van 7 november 2003;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op het beroep tegen het besluit van 3 maart 2004;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 2004 gegrond;
Vernietigt het besluit van 3 maart 2004;
Herroept het besluit van 27 oktober 2003,
Wijst de aanvraag om bijstand van 28 augustus 2003 af;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä 1.288,-- te betalen door de gemeente Helmond aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Helmond aan appellante het in beroep onder nr. 04/891 en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.M. van Male en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x