Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX8878
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3384 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2005, 04/2765 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 30 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Voor appellant is verschenen mr. N.E.L. Rijnders, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Bos, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). De afdeling Handhaving van de gemeente heeft een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante en heeft in dat kader op 22 mei 2003 bij appellante een huisbezoek afgelegd. Op grond van de bevindingen van dat huisbezoek heeft het College bij besluit van 3 juni 2003 de uitkering van appellante met ingang van 24 oktober 2002 ingetrokken omdat zij haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen en het recht op uitkering vanaf voormelde datum niet is vast te stellen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 december 2003 wegens (niet verschoonbare) termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 16 december 2003 is geen beroep ingesteld.

Bij besluit van 29 augustus 2003 is aan appellante met ingang van 2 juli 2003 weer bijstand toegekend en is haar tevens meegedeeld dat zij op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding tot 1 juli 2003 geen recht had op bijstand. Voorts heeft het College vermeld dat de door appellante over de periode van 24 oktober 2002 tot en met 1 juli 2003 ten onrechte ontvangen bijstand van haar zal worden teruggevorderd en dat zij daarover zo spoedig mogelijk bericht zal ontvangen. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 november 2003 heeft het College, voorzover hier van belang, de over de periode van 24 oktober 2002 tot en met 1 juli 2003 aan appellante verstrekte bijstand tot een bedrag van Ä 7.907,10 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 11 mei 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 mei 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het College heeft bij besluit van 3 juni 2003 de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 24 oktober 2002 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante vanaf dat moment weer samenwoonde met haar ex-partner [ex-partner], van wie zij vijf kinderen heeft, en appellante mitsdien niet is aan te merken als een zelfstandig subject van bijstand.
Dit besluit staat in rechte vast nu het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 16 december 2003 niet-ontvankelijk is verklaard en tegen dit laatste besluit geen beroep is ingesteld.

Nu bij het besluit van 3 juni 2003 niet met zoveel woorden is aangegeven tot welke datum het recht wordt ingetrokken moet op grond van de ter zake geldende jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO1106) worden aangenomen dat de intrekking van het recht op bijstand zich uitstrekt tot de datum van dat besluit, te weten 3 juni 2003.

De Raad constateert voorts dat bij besluit van 29 augustus 2003 het recht op bijstand is ingetrokken over de periode van 3 juni 2003 tot en met 1 juli 2002. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Een en ander betekent dat de intrekking van het recht op bijstand van appellante over het tijdvak van 24 oktober 2002 tot en met 1 juli 2003 in rechte vaststaat. De Raad is op grond hiervan met de rechtbank van oordeel dat de grieven van appellant voorzover deze betrekking hebben op de intrekking thans niet meer aan de orde kunnen komen.

Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad het volgende.

Met het gegeven dat met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand van appellante over de periode van 24 oktober 2002 tot en met 1 juli 2003 is ingetrokken is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College gehouden was tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2002, LJN AF3082) slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale of financiŽle gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaats vindt. Van zodanige gevolgen is de Raad in dit geval niet gebleken. Het feit dat appellante 5 kinderen heeft en moet zien rond te komen van haar uitkering, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, kan niet als een dringende reden in de hier bedoelde zin worden aangemerkt. De Raad wijst er in dit verband nog op dat de zogeheten beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de regel voldoende bescherming biedt om in het levensonderhoud te kunnen voorzien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
  



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eeldrink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x