Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX8885
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het bezwaar tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang, omdat geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren. Gelet hierop had de rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond moeten verklaren.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3346 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2005, 03/1419 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2005. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Bos, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en het College als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Bij primaire beschikking van 27 augustus 2002 heeft verweerder eisers recht op uitkering opgeschort met ingang van 15 mei 2002, omdat eiser geen gevolg heeft gegeven aan een oproep om op de MegaBanenMarkt (hierna: MBM) te verschijnen. Bij brief van 11 september 2002 heeft eiser daartegen bezwaar ingediend.
Bij beschikking van 28 november 2002 heeft verweerder besloten om de voornoemde opschorting te beëindigen en eisers uitkering vanaf 15 mei 2002 weer te gaan betalen. Verweerder heeft ook het ziekenfonds laten weten dat eiser weer bijstand ontvangt.
Bij brief van 9 december 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift buiten behandeling gesteld omdat daaraan bij laatstgenoemde beschikking volledig tegemoet is gekomen.
Op verzoek van eiser is bij beschikking van 11 februari 2003, verzonden op 14 februari 2003, alsnog op het bezwaarschrift van 11 september 2002 beslist. Verweerder heeft het bezwaarschrift bij dit bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang, omdat tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiser. De primaire beschikking is bij besluit van 28 november 2002 ongedaan gemaakt en de betaling van de uitkering is gecontinueerd.”
        
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 februari niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant bij de procedure bij de rechtbank geen belang heeft omdat de opschorting van het recht op bijstand per 15 mei 2003 ongedaan is gemaakt en de betaling van appellants uitkering met terugwerkende kracht is gecontinueerd. Voorts heeft het College meegedeeld dat het werkgeversdeel van de ziekenfondspremie alsnog is afgedragen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het geschil dat appellant met het ziekenfonds stelt te hebben over de betaling van de premie voor de aanvullende verzekering niet kan worden aangemerkt als een belang dat een inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit of het besluit op bezwaar rechtvaardigt. Voor het overige is niet gebleken dat appellant enig ander - rechtens te respecteren - belang heeft bij de beoordeling van het besluit op bezwaar door de rechtbank.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat hij door de rechtbank niet op de juiste wijze is uitgenodigd voor de op 11 april 2005 gehouden zitting.

De Raad volgt appellant hierin niet. Blijkens de gedingstukken heeft de griffier van de rechtbank geheel overeenkomstig de artikelen 8:37 en 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht de kennisgeving van de zitting op 15 maart 2003 eerst per aangetekende post naar het adres van appellant gezonden en vervolgens op 8 april 2003 per gewone post nogmaals naar dat adres gezonden. De Raad kan zich geheel verenigen met de door de rechtbank op dit punt gebezigde overwegingen.

De Raad kan evenwel zich niet verenigen met de beslissing van de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 februari 2003 niet-ontvankelijk te verklaren.

In beroep bij de rechtbank lag ter beoordeling voor of het College bij besluit van 11 februari 2003 het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2002 wegens het ontbreken van belang terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. De opschorting van het recht met ingang van 15 mei 2002, waartoe bij besluit van 27 augustus 2002 is besloten, is bij besluit van 28 november 2002 ongedaan gemaakt en het College heeft appellant met ingang van 15 mei 2002 weer bijstand naar de voor hem geldende norm uitbetaald. Tevens heeft het College laten weten dat het werkgeversdeel van de ziekenfondspremie alsnog aan het betreffende ziekenfonds is afgedragen.

Een en ander houdt in dat het College het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2002 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet hierop had de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 februari 2003 ongegrond moeten verklaren.

Hetgeen door appellant nog is opgemerkt over het geschil dat hij heeft met het ziekenfonds over de premie van de aanvullende verzekering maakt geen deel uit van deze procedure en blijft om die reden buiten beschouwing.

Gezien het vorenstaande zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellant tegen het besluit van 11 februari 2003 ongegrond verklaren.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 11.60 in hoger beroep voor reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 11,60, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 132,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x