Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX8894
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Leefden betrokkenen duurzaam gescheiden?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2362 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 maart 2005, 04/804 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: College).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. E.R. Moes, kantoorgenoot van mr. Klaver voornoemd en door de tolk M.A.A. Priem. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.B. Evertz, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert juli 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante samenwoont met de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) hebben medewerkers van de Sector Maatschappelijke Dienstverlening van de gemeente Bergen op Zoom een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is op 15 september 2003 een huisbezoek gebracht aan de woning van appellante. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 september 2003. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 26 september 2003 het recht op bijstand van appellante met ingang van 15 september 2003 te beŽindigen op de grond dat appellante met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
26 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2004 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College eraan voorbij heeft gezien dat appellante en [betrokkene] ten tijde in geding met elkaar waren gehuwd zodat voor de beŽindiging van het recht op bijstand niet bepalend is dat appellante en [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voeren, maar of zij duurzaam gescheiden leven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ten tijde in geding van een situatie van duurzaam gescheiden leven geen sprake was.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 maart 2004 in stand zijn gebleven. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat appellante en [betrokkene] ten tijde in geding met elkaar waren gehuwd. In hoger beroep is uitsluitend in geschil of zij ten tijde in geding duurzaam gescheiden leefden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Abw (Kamerstukken II 1991-1992, 22 245, nr. 3 p. 106) blijkt dat van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake is indien het een door beide betrokkenen, of ťťn van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste ťťn van hen als bestendig is bedoeld.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden gegevens voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat appellante en [betrokkene] op 15 september 2003 niet duurzaam gescheiden leefden. De Raad neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat tijdens het huisbezoek aan de woning van appellante in de huiskamer post werd aangetroffen die was geadresseerd aan [betrokkene] en in de slaapkamer een herengarderobe en voorts dat appellante toen heeft verklaard dat [betrokkene] bij haar verbleef, dat hij naar haar woning kwam wanneer het hem uitkwam, dat zij wel eens zijn was streek en dat zich in haar huis nog spullen van hem bevonden. Uit de gedingstukken blijkt verder dat [betrokkene] over een sleutel van de woning van appellante beschikte en dat de buurvrouw van appellante op 15 september 2003 heeft verklaard dat [betrokkene] bij appellante woonde. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om niet van de juistheid van de door appellante en haar buurvrouw op 15 september 2003 afgelegde verklaringen uit te gaan. De door de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad ingenomen stelling dat ten tijde in geding sprake was van een proces waarbij appellante zich van [betrokkene] losmaakte (wat daar overigens van zij) wijst er evenmin op dat sprake was van duurzaam gescheiden leven.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x