Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AX9121
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging van het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van voedingssupplementen op de grond dat er geen medische noodzaak bestaat voor deze kosten. Bevoegdheidsgrondslag. Instandlating van de rechtsgevolgen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1128 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 januari 2005, nr. 04/566 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bathmen (hierna: College).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Bathmen. In deze uitspraak wordt onder het College tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer.

Namens appellante heeft mr. M. Noot, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Voor appellante is verschenen [bewindvoerder], bewindvoerder van appellante, bijgestaan door mr. P.H.J. Arnoudse, kantoorgenoot van mr. Noot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.L.H. Deuserman, werkzaam bij de gemeente Deventer.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 september 2001 bijzondere bijstand in de kosten van voedingssupplementen.

In het kader van een heronderzoek heeft het College aan het Regionaal Indicatie Orgaan Midden IJssel (hierna: RIO) gevraagd of het gebruik van de voedingssupplementen door appellante medisch noodzakelijk is. Het RIO heeft op 18 augustus 2003 advies en op 5 december 2003 desgevraagd aanvullend advies uitgebracht.

Bij besluit van 24 december 2003, voorzover hier van belang, heeft het College het recht op bijzondere bijstand met ingang van 1 januari 2004 beŽindigd. De beŽindiging berust op de overweging dat de voedingssupplementen in het kader van een voorliggende voorziening (de wettelijke ziektekostenverzekeringen) als niet noodzakelijk worden aangemerkt, zodat artikel 17, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) aan (verdere) verlening van bijstand in de weg staat. De beŽindiging berust voorts op het medisch oordeel van het RIO dat er voor appellante geen medische noodzaak voor het gebruik van de voedingssupplementen bestaat.

Bij besluit op bezwaar van 7 april 2004 heeft het College de beŽindiging van het recht op bijzondere bijstand in de kosten van voedingssupplementen gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 april 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het besluit van 7 april 2004, voorzover het betrekking heeft op de beŽindiging van het recht op bijzondere bijstand in de kosten van voedingssupplementen, is genomen met toepassing van de Abw. Dit is niet juist. Bij gebreke van specifieke bepalingen van overgangsrecht voor een situatie als in dit geding aan de orde, stelt de Raad vast dat op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 december 2003 had moeten worden beslist met toepassing van de Wwb. De Raad merkt op dat de situatie als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de IWwb zich niet voordoet, aangezien het bezwaarschrift tegen het besluit van 24 december 2003 is ingediend op 28 januari 2004, derhalve na de peildatum van 31 december 2003.
De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 april 2004, voorzover dat besluit betrekking heeft op de beŽindiging van het recht op bijzondere bijstand in de kosten van voedingssupplementen, vernietigen omdat het op een onjuiste bevoegdheidsgrondslag berust.

Met betrekking tot de vraag of er aanleiding is te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 7 april 2004 in stand blijven overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Wwb bestaat geen recht op bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Voorts heeft ingevolge artikel 15, eerste lid, tweede volzin van de Wwb die wet geen functie indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening het gevraagde in een bepaalde situatie niet noodzakelijk is geacht dient de toepassing van de Wwb zich daarbij aan te sluiten.
De Raad stelt vast, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak hieromtrent (vergelijk onder andere de uitspraak van 7 september 2004, LJN AR2301) dat de kosten van de onderhavige - niet als dieetpreparaten aan te merken - voedingssupplementen niet behoren tot het zorgpakket van de inmiddels ingetrokken Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Deze wetten kunnen met betrekking tot deze kosten derhalve niet als een aan de Wwb voorliggende voorziening worden aangemerkt. Evenmin is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Wwb. De rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 7 april 2004 kunnen dan ook niet op die grond in stand blijven.

In artikel 35, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Het besluit van het College van 7 april 2004 berust mede op het oordeel van het RIO dat er voor appellante geen medische noodzaak voor het gebruik van de voedingssupplementen bestaat. Uit de adviezen van het RIO blijkt dat appellante en haar ouders door een arts zijn gehoord en dat informatie is ingewonnen bij de behandelend dermatoloog. De Raad is van oordeel dat de adviezen van het RIO voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om deze adviezen voor onjuist te houden. De Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de door de behandelend dermatoloog aan het RIO verstrekte informatie waaruit blijkt dat de huidafwijking van appellante weliswaar sterk verbeterd is, maar dat er medisch wetenschappelijk gezien geen aanwijzingen bestaan dat de betreffende voedingssupplementen een gunstig effect op huidaandoeningen hebben. Het oordeel van het RIO wordt voorts ondersteund door de in hoger beroep door appellante overgelegde brief van 8 maart 2006 van arts-assistent dermatologie dr. M.A.M. van Steensel. De omstandigheid dat de huisarts van appellante blijkens zijn in hoger beroep overgelegde brief van 8 maart 2006 het gebruik van de voedingssupplementen op pragmatische gronden geÔndiceerd acht, doet aan het voorgaande niet af.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wwb, zodat voor verdere verlening van bijzondere bijstand in de hier besproken kosten geen plaats is.

De Raad stelt voorts, naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, vast dat niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het College waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. De Raad merkt in dit verband op dat in het besluit tot toekenning van bijzondere bijstand in de kosten van de voedingssupplementen expliciet is overwogen dat de zaak opnieuw zal worden beoordeeld naar aanleiding van de uitslag van het onderzoek naar de huidaandoening van appellante door de behandelend specialist.

Gelet op het vorenstaande zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 7 april 2004 in stand blijven.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- in beroep en op Ä 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op Ä 21,37 voor reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 april 2004 voorzover dit betrekking heeft op de beŽindiging van het recht op bijzondere bijstand in de kosten van voedingssupplementen;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä 1309,37, te betalen door de gemeente Deventer aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Deventer aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x