Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AX9577
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van het recht op bijstand op de grond dat betrokkene niet de gevraagde gegevens over inkomsten en vermogen heeft verstrekt. Schending van de inlichtingenverplichting. Buitenbehandelingstelling van de nieuwe bijstandsaanvraag wegens het niet verstrekken van de gevraagde inlichtingen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1808 NABW en 05/1809 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 4 februari 2005, 04/1746 en 04/2799 NABW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.C.J. Willekens, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willekens. Het College heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door D.L. Slegers, werkzaam bij de gemeente Helmond.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 20 november 1996 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) van de gemeente Helmond. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant in 1996 vermogen had verworven uit de verkoop van de echtelijke woning na echtscheiding en betrokken was bij auto(onderdelen) handel heeft de sociale recherche van de gemeente Helmond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 september 2003, is onder meer dossieronderzoek verricht, is informatie ingewonnen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), zijn observaties verricht, zijn getuigen gehoord en heeft appellant verklaringen afgelegd. Bij besluit van 5 september 2003 heeft het College het recht van appellant op bijstand met ingang van 1 september 2003 opgeschort en hem uitgenodigd vr 20 september 2003 gegevens met betrekking tot het vermogen en zijn inkomsten over te leggen. Van deze gelegenheid heeft appellant geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft het College het recht op bijstand met ingang van 20 november 1996 ingetrokken op de grond dat het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen. Daarbij is aangekondigd dat de over de periode van 20 november 1996 tot 1 oktober 2003 ten onrechte verleende bijstand van appellant zal worden teruggevorderd.

Bij besluit van 19 januari 2004 heeft het College het besluit van 2 oktober 2003 herzien in die zin dat het recht op bijstand met ingang van 1 september 2003 wordt ingetrokken met toepassing van artikel 69, vierde lid, van de Abw omdat appellant de bij besluit van 5 september 2003 gevraagde gegevens niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft ingeleverd. Voorts is bij dat besluit het recht op bijstand over de periode van 20 november 1996 tot 1 september 2003 herzien (lees: ingetrokken) met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw daarbij overwegende dat het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting over deze periode niet kan worden vastgesteld.

Het College heeft het tegen het besluit van 2 oktober 2003 ingediende bezwaar, dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 januari 2004, bij besluit van 7 mei 2004 ongegrond verklaard.

Op 26 februari 2004 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. In het kader van de behandeling van deze aanvraag is met appellant een afspraak gemaakt voor een gesprek op 2 april 2004. Hem is verzocht om bij die gelegenheid een aantal stukken over te leggen. Op 2 april 2004 heeft appellant een deel van de gevraagde informatie verstrekt en heeft het College hem schriftelijk meegedeeld dat hij vr 20 april 2004 onder meer bankafschriften dient over te leggen van rekeningnummer 1549.26.280. Daarbij is appellant erop gewezen dat de aanvraag niet verder in behandeling zal worden genomen als de gegevens niet tijdig worden verstrekt. Op verzoek van appellant is deze termijn verlengd tot 5 mei 2004. Het College heeft de gevraagde afschriften echter pas op 13 mei 2004 ontvangen.

Bij besluit van 7 mei 2004 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten op bezwaar van 7 mei 2004 en 13 augustus 2004 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking per 1 september 2003

Allereerst stelt de Raad vast dat appellant tegen het opschortingsbesluit van 5 september 2003 geen rechtsmiddel heeft aangewend. Volgens vaste rechtspraak staat in het kader van de heroverweging van een op grond van artikel 69, vierde lid, van de Abw genomen besluit uitsluitend ter beoordeling of de betrokkene heeft verzuimd binnen de daartoe gegeven hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken en of er dringende redenen aanwezig zijn om met toepassing van artikel 69, vijfde lid, van de Abw geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.
Vaststaat dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt binnen de hem tot 20 september 2003 gegeven hersteltermijn. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen in vorenbedoelde zin op grond waarvan het College de bevoegdheid toekomt geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, zodat de Raad tot geen ander oordeel kan komen dan dat het College het recht op bijstand terecht overeenkomstig het imperatieve voorschrift van artikel 69, vierde lid, van de Abw met ingang van 1 september 2003 heeft ingetrokken.



De intrekking over de periode 20 november 1996 tot 1 september 2003

Met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand over deze periode onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat uit de door de ex-echtgenote van appellant op 29 april 1996 voor accoord ondertekende brief van dezelfde datum, afkomstig van haar advocaat en gericht aan de advocaat van appellant, afgeleid kan worden dat appellant uit hoofde van de verkoop van de (destijds) echtelijke woning aanspraak heeft verkregen op een bedrag van (minstens) f 125.000,--. In die brief is tevens aangegeven dat deze regeling nadrukkelijk derogeert aan hetgeen ter zake de echtelijke woning is gesteld onder artikel 2.1 van het echtscheidingsconvenant. Het betoog van appellant dat de brief van 29 april 1996 is achterhaald door het echtscheidingsconvenant, waarin onder artikel 2.1 is bepaald dat appellant geen aanspraken heeft op de voormalige echtelijke woning en de inboedel ervan, kan de Raad niet volgen. Daartoe wijst de Raad op een brief van 8 juli 1996 van de advocaat van appellant waaruit blijkt dat de brief van 29 april 1996, aangeduid als side-letter, behoort bij het echtscheidingsconvenant dat eveneens op 29 april 1996 door de ex-echtgenote van appellant is ondertekend. Op 19 juli 1996 hebben appellant en zijn ex-echtgenote beiden een schriftelijke verklaring ondertekend dat de afspraken conform het echtscheidingsconvenant zijn uitgevoerd. Aan het vorenstaande doet niet af dat, naar ter zitting door appellant naar voren is gebracht, de ex-echtgenote zou hebben verklaard dat zij appellant geen geld heeft gegeven uit de verkoop van de (destijds) echtelijke woning die haar eigendom was. Hoewel onduidelijk is gebleven of het bedrag van f 125.000,-- (volledig) tot uitbetaling is gekomen, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat appellant door van die - al dan niet gende - vordering geen melding te maken bij het College de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Vervolgens stelt de Raad vast dat blijkens de kentekenregistratie van de RDW vanaf 17 april 1997 negen autos op naam van appellant en elf autos op naam van [betrokkene] (verder: [betrokkene]) hebben gestaan. Hieromtrent heeft [betrokkene], die zelf niet in het bezit is van een rijbewijs, op 4 september 2003 verklaard dat deze autos waren bestemd voor de verkoop. Volgens de verklaring van appellant van eveneens 4 september 2003 kocht hij oudere autos die op naam van hemzelf of van [betrokkene] werden geregistreerd. Ook komt uit met name de verklaring van getuige [getuige] van 5 september 2003 en de verklaring van appellant van 4 september 2003 naar voren dat appellant in ieder geval vanaf mei 2000 actief was in de handel in autos en/of auto-onderdelen. Namens appellant is ter zitting niet betwist dat hij in autos heeft gehandeld maar heeft hij gesteld dat het daarbij ging om het uitoefenen van een hobby. Daargelaten wat daarvan zij, is de Raad van oordeel dat appellant van deze activiteiten onmiddellijk bij het College melding had moeten maken, zodat de omvang van die activiteiten en de inkomsten daaruit dan wel de (te bedingen) beloning daarvoor en de invloed daarvan op het recht op bijstand tijdig hadden kunnen worden vastgesteld. Door van deze activiteiten aan het College geen mededeling te doen en ook achteraf daarin geen inzicht te geven, heeft appellant ook op dit punt de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Op grond van het voorgaande is ook de Raad tot de conclusie gekomen dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat wegens de hierboven omschreven schendingen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van 20 november 1996 tot 1 september 2003 niet is vast te stellen, zodat het recht op bijstand over die periode terecht is ingetrokken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.



De nieuwe aanvraag

Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College, nu appellant de gevraagde bankafschriften niet voor het verstrijken van de gegeven hersteltermijn heeft ingeleverd, op grond van artikel 4:5, eerste lid van de Awb bevoegd was om de aanvraag buiten behandeling te stellen. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In aanmerking genomen dat de afschriften bij brief van de Rabobank van 28 april 2004 aan appellant waren toegezonden, moet appellant in staat zijn geweest deze vr 5 mei 2004 bij het College in te leveren. Indien appellant hiertoe niet in staat zou zijn geweest had hij zich schriftelijk tot het College kunnen wenden met een verzoek tot uitstel. Het feit dat het op 7 mei 2004 genomen primaire besluit ten tijde van de ontvangst van de verlangde gegevens nog niet was verzonden doet hieraan niet af.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x