Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AY0789
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Omvang van het geding. De bevoegdheidsgrondslag voor de terugvordering is gelegen in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3632 NABW en 05/4071 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 april 2005, 04/1526 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat (hierna: het Dagelijks Bestuur).

Datum uitspraak: 4 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Als gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2004 van een gemeenschappelijke regeling oefent het Dagelijks Bestuur de taken en bevoegdheden in het kader van de bijstandswetgeving uit die voorheen werden uitgeoefend door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Aan de Raad is een nader besluit van het Dagelijks Bestuur van 29 april 2005 toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. van Dijk, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) hebben een dochter en een zoon die geboren zijn op respectievelijk 25 november 1986 en 6 november 1989. Appellant, bij het Dagelijks Bestuur bekend op [adres 1], ontving vanaf 1 november 2003 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande, terwijl [betrokkene], bekend op [adres 2], bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van tips dat appellant in de woning van [betrokkene] met haar een gezamenlijke huishouding zou voeren, heeft het bureau Fraudebestrijding van de gemeente Waalwijk een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en [betrokkene] verleende uitkeringen. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn inlichtingen ingewonnen bij de leveranciers van water, elektriciteit en gas, zijn observaties verricht en zijn appellant en [betrokkene] gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 november 2003.

Bij besluit van 27 november 2003 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk de uitkeringen van appellant en [betrokkene] per 1 november 2003 beŽindigd en aan hen met ingang van die datum een uitkering naar de norm voor gehuwden toegekend. Met de uitspraak van de Raad van 3 mei 2005, 04/5319 en 04/5322, is de beŽindiging in rechte komen vast te staan.

Bij besluit van 21 januari 2004, naar aanleiding van het door appellant ingediende bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2004, heeft het Dagelijks Bestuur het recht op bijstand van appellant en van [betrokkene] met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw over de periode van 5 juli 2001 tot en met 31 oktober 2003 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Abw, waarvan in strijd met artikel 65, eerste lid, van de Abw geen mededeling is gedaan aan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk. Tevens is besloten de over die periode gemaakte kosten van bijstand op grond van de artikelen 81, eerste lid en 84, tweede en derde lid, van appellant en van [betrokkene] terug te vorderen tot een bedrag van Ä 16.143,52.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van appellant tegen het besluit van 7 juni 2004 gegrond verklaard voorzover het is gericht tegen de terugvordering, dat besluit in zoverre wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd, het Dagelijks Bestuur opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bevoegdheidsgrondslag voor de terugvordering is gelegen in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (Wwb).

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij betwist dat hij met [betrokkene] gedurende de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 29 april 2005 met toepassing van de artikelen 58, eerste lid, aanhef en onder a, en 59 van de Wwb de over de periode van 5 juli 2001 tot en met 31 oktober 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 16.143,52 van appellant teruggevorderd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De omvang van het geding

Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van het Dagelijks Bestuur van 7 juni 2004 aangaande de intrekking van het recht op bijstand ongegrond is verklaard.

De Raad merkt het besluit van 29 april 2005 betreffende de terugvordering aan als een besluit dat op voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de beoordeling dient te worden betrokken.



Het wettelijk kader

Op 1 januari 2004 is de Wwb in werking getreden. Per die datum is de Abw ingetrokken.

Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) volgt dat het Dagelijks Bestuur vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de Wwb zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking en terugvordering over te gaan, en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

De artikelen 3 en 65 van de Abw zijn op de gehele in geding zijnde periode van toepassing.



De intrekking

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 7 juni 2004 (ook) wat betreft de intrekking berust op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten - het beroep gericht tegen de intrekking van het recht op bijstand gegrond verklaren en het besluit van 7 juni 2004 voorzover het de intrekking betreft vernietigen.

De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van dit te vernietigen gedeelte van het besluit van 7 juni 2004 in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

Gelet op de hiervoor reeds vermelde uitspraak van de Raad van 3 mei 2005, 04/5319 en 04/5322 staat in rechte vast dat appellant en [betrokkene] op 1 november 2003 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw.

De Raad is van oordeel dat deze conclusie ook gerechtvaardigd is voor de daaraan voorafgaande periode van 5 juli 2001 tot en met 31 oktober 2003. Hij verwijst hiervoor allereerst naar hetgeen in voormelde uitspraak is overwogen, en voegt daaraan nog toe dat de gegevens omtrent het verbruik van gas, elektriciteit en water, op grond waarvan de Raad heeft geconcludeerd dat appellant feitelijk niet op de door hem opgegeven adressen verbleef, ook betrekking hebben op de in geding zijnde periode. Dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van [betrokkene] volgt verder uit het feit dat appellant op 5 juli 2001 en op 17 november 2003 door de politie is aangehouden in de woning van [betrokkene], waarvan het de wijkagent ambtshalve bekend was dat appellant daar met zeer grote regelmaat verbleef, uit de verklaringen van appellant en [betrokkene] dat appellant frequent in de woning van [betrokkene] verblijft, en uit de vanaf 28 september 2003 verrichte observaties.

De eerst ter zitting van de Raad door appellant gegeven verklaring voor de lage meterstanden, namelijk dat hij bij een vriendin zou hebben verbleven, brengt de Raad niet tot een ander oordeel, nu appellant niet heeft aangegeven welke periode het betrof en hij de juistheid van deze stelling op generlei wijze heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt.

Naar aanleiding van de grief van appellant dat het door middel van de observaties verkregen bewijs op onrechtmatige wijze is verkregen verwijst de Raad naar hetgeen hij hierover in meergenoemde uitspraak van 3 mei 2005 heeft overwogen.

Door van de gezamenlijke huishouding bij het Dagelijks Bestuur geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Als gevolg daarvan is aan hem over de periode in geding ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend.

Het Dagelijks Bestuur was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb bevoegd over te gaan tot intrekking van het recht van appellant op bijstand over de gehele in geding zijnde periode. Naar het oordeel van de Raad heeft het Dagelijks Bestuur bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten om van deze bevoegdheid ten volle gebruik te maken.



De terugvordering

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het Dagelijks Bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd was om tot terugvordering van de over de periode van 5 juli 2001 tot en met 31 oktober 2003 gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Naar het oordeel van de Raad heeft het Dagelijks Bestuur bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

Dat betekent dat het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 april 2005 ongegrond dient te worden verklaard.



Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op Ä 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juni 2004 gegrond voorzover het is gericht tegen de intrekking;
Vernietigt het besluit van 7 juni 2004 voorzover het de intrekking van het recht op bijstand betreft;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 7 juni 2004 in stand blijven;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 april 2005 ongegrond;
Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 322,--, te betalen door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x