Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AY2202
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en inkomsten uit arbeid. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Medeterugvordering van de hoofdelijk aansprakelijk gestelde partner. Instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/48 NABW, 05/49 NABW, 05/5419 NABW en 05/5960 NABW




U I T S P R A A K



  
op het hoger beroep van:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te s-Gravenhage (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 16 november 2004, 03/3248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 20 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2004 heeft het College het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente s-Gravenhage ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder het College tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente s-Gravenhage.

Namens appellanten heeft mr. M.J. Smit, advocaat te s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Mr. Smit heeft een aan appellante gericht nader besluit van het College van 15 maart 2005 aan de Raad gezonden.

Het College heeft een aan appellante gericht nader besluit van 28 september 2005 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Smit. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten zijn sinds 15 februari 1992 met elkaar gehuwd en stellen dat zij van 6 februari 1997 tot 1 juli 2002 gescheiden van elkaar hebben geleefd. Zij hebben samen vijf kinderen, van wie de laatste twee zijn geboren op 7 juli 1999 en 4 oktober 2001. Appellante ontving vanaf 1 september 1998 in de gemeente s-Gravenhage een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

In verband met een vermoeden van samenwoning heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente s-Gravenhage een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader daarvan is dossieronderzoek verricht, is bij diverse instanties informatie ingewonnen en zijn van 18 juni 2002 tot en met 10 juli 2002 waarnemingen verricht. Op 13 augustus 2002 heeft appellant telefonisch aan de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten doorgegeven dat hij vanaf 1 juli 2002 weer met appellante samenwoont. Resultaat van het onderzoek, neergelegd in een tweetal rapportages van 25 februari 2002 en 15 augustus 2002, was dat samenwoning vr 1 juli 2002 niet voldoende kon worden aangetoond. Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat appellante werkzaamheden heeft verricht waarvan zij geen mededeling heeft gedaan. Op 5 september 2002 hebben twee medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek appellante geconfronteerd met het vermoeden van samenwoning en de verzwegen werkzaamheden. Daarbij heeft appellante verklaard dat appellant en zij in verband met financile problemen hadden besloten dat appellant op papier een ander woonadres zou kiezen, zodat zij in aanmerking kwam voor een uitkering. Verder heeft appellante erkend te hebben gewerkt.

Het College heeft op grond hiervan geconcludeerd dat appellante werkzaamheden heeft verricht en dat appellanten van 1 september 1998 tot en met 30 juni 2002 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zonder daarvan aan het College mededeling te doen. Het College heeft vervolgens bij aan appellanten gericht besluit van 12 december 2002 het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 september 1998 tot en met 30 juni 2002 herzien en de gemaakte kosten van bijstand van hen beiden teruggevorderd tot een bedrag van 44.970,67. Voorts heeft het College bij besluit van 3 januari 2003 wegens schending van de wettelijke inlichtingenverplichting aan appellanten een boete opgelegd van 2.266,--.

Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 12 december 2002 en 3 januari 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van appellanten tegen het besluit van 20 juni 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Met betrekking tot de herziening van het recht op van bijstand van appellante heeft de rechtbank overwogen dat het besluit is genomen in strijd met de wet, omdat het College door te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Het College had moeten beoordelen of appellante ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van appellant en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Abw diende te worden aangemerkt. Omdat naar haar oordeel op grond van de onderzoeksbevindingen voldoende aannemelijk is geworden dat appelanten in de periode in geding niet duurzaam samenleefden, heeft de rechtbank vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten voor zover het de herziening betreft. Voor zover het de terugvordering van appellante en de aan appellante opgelegde boete betreft heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit eveneens in stand gelaten. Met betrekking tot de medeterugvordering van appellant heeft de rechtbank overwogen dat artikel 84, tweede lid (oud), van de Abw tot 31 december 1998 geen grondslag bood voor terugvordering van de partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen als het onderhavige waarin naar de norm voor een alleenstaande ouder (gezins)bijstand is verleend. De rechtbank heeft aansluitend geoordeeld dat over de periode vanaf 31 december 1998 is voldaan aan de voorwaarden voor medeterugvordering van appellant en het College opgedragen met inachtneming van haar uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen de medeterugvordering. Met betrekking tot de aan appellant opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen bijstand van het College ontving en dat daarom op hem geen inlichtingenverplichting rustte. Om die reden heeft de rechtbank, in zoverre zelf in de zaak voorziend, het bezwaar van appellant tegen de aan hem opgelegde boete gegrond verklaard en het primaire (boete)besluit van 3 januari 2003 herroepen.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en voor zover daarbij is bepaald dat over de medeterugvordering van appellant een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen de medeterugvordering. Het College heeft daarbij besloten af te zien van medeterugvordering over de periode van 1 september 1998 tot 31 december 1998 en het oorspronkelijke bedrag van 44.970,67 te verminderen met 3.451,78 tot 41.518,89.

Bij besluit van 28 september 2005 heeft het College het besluit van 20 juni 2003 gewijzigd en is, onder verwijzing naar artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het international Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR) en de op 1 januari 2005 van kracht geworden Maatregelenverordening Wet werk en bijstand (hierna: Maatregelenverordening WWB) van de gemeente s-Gravenhage, aan appellante een boete opgelegd van 269,95.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat de besluiten van 15 maart 2005 en 28 september 2005, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, bij de beoordeling moeten worden betrokken.



De aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de aan appellante opgelegde boete

Het besluit van 28 september 2005 is geheel in de plaats getreden van het besluit van 20 juni 2003 voor zover dit laatste besluit betrekking heeft op de aan appellante opgelegde boete. Daaruit volgt dat appellante geen (proces)belang meer heeft bij het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 juni 2003 met betrekking tot de aan appellante opgelegde boete. De Raad zal daarom het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

De aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de herziening en de terugvordering van appellante

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Naar vaste rechtspraak van de Raad is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten pas sprake indien het een door beide betrokkenen, of n van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste n van hen als bestendig is bedoeld.

Uit de beschikbare gedingstukken is de Raad gebleken dat appellanten er tegenover het College geen geheim van hebben gemaakt dat appellante alleen in verband met de vele schulden van het echtpaar een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Zo heeft appellant in het kader van een onderzoek naar zijn onderhoudsplicht op 10 mei 1999 verklaard dat hij van zijn vrouw houdt en dat ze een goede relatie hebben. Appellante heeft bij een heronderzoek op 21 maart 2002 meegedeeld dat zij en haar man voornemens waren om na de vakantie weer te gaan samenwonen. Dat zou dan pas weer kunnen, in verband met de enorme schulden. Op grond van het vorenstaande, de verklaring van appellante van 5 september 2002, en het feit dat uit het huwelijk van appellanten op 7 juli 1999 en op 4 oktober 2001 nog twee kinderen zijn geboren, onderschrijft de Raad de conclusie van de rechtbank dat ten tijde hier van belang niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven. Daargelaten of appellanten in de gehele periode in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, is de (mogelijke) verbreking van de echtelijke samenleving immers door geen van beiden als bestendig bedoeld. Dit betekent dat appellanten, met de tot hun last komende kinderen, ten tijde hier van belang als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, onder 2, van de Abw moesten worden beschouwd en dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden volgehouden dat appellante de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, nu zij en appellant meermalen aan het College te kennen hebben gegeven uitsluitend in verband met de financile situatie (tijdelijk) uit elkaar te zijn. Het College had op grond daarvan de situatie kunnen en moeten kwalificeren als niet duurzaam gescheiden leven, hetgeen in overeenstemming was met de feitelijke situatie.

Het vorenstaande laat echter onverlet dat aan appellante gedurende de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verstrekt, zodat het College op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw (en dus niet artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb) gehouden was het recht op bijstand van appellante te herzien.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College gehouden is om de over de periode van 1 september 1998 tot en met 30 juni 2002 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

De aangevallen uitspraak komt in zoverre dan ook, met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking.



De aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op medeterugvordering van appellant

Uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de terugvordering van appellante vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat over de periode vanaf 31 december 1998 is voldaan aan de voorwaarden voor medeterugvordering van appellant met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw zoals dit luidt sinds 31 december 1998.

Ook in zoverre dient de aangevallen uitspraak derhalve te worden bevestigd.



Het besluit van 15 maart 2005

Het besluit van 15 maart 2005, waarbij van appellant over de periode van 31 december 1998 tot en met 30 juni 2002 een bedrag van 41.518,89 (mede) is teruggevorderd, is geheel in overeenstemming met de door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak aan het College gegeven opdracht.

Voor zover het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen dit besluit, dient het daarom onge-grond te worden verklaard.



Het besluit van 28 september 2005

Hiervr is vastgesteld dat niet kan worden gezegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden met betrekking tot de wijze waarop zij met appellant heeft samengeleefd.

Niet is echter in geschil, en ook de Raad stelt vast, dat appellante het College ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de door haar in de jaren 2000, 2001 en 2002 verrichte werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten. In zoverre is derhalve wl sprake van schending van artikel 65, eerste lid, van de Abw.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van het verzwijgen van de inkomsten ontbreekt. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat deze gedraging heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand - zodat niet met een waarschuwing kon worden volstaan - was het College verplicht om aan appellante een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat het benadelingsbedrag als gevolg van de verzwegen inkomsten tussen de 4000,-- en 6000,- bedroeg.

De Maatregelenverordening WWB voorziet in geval van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting met een financieel nadeel tussen de 4000,-- en 6000,-- in een verlaging van de bijstand met 30% voor de duur van n maand. Bij besluit van 28 september 2005 heeft het College aan appellante een verlaging opgelegd van 296,95, zijnde 30% van de over de maand juni 2002 van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Op grond van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR concludeert de Raad dat het College de opgelegde boete terecht - nader op dat - bedrag heeft vastgesteld.

De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te oordelen dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellante kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin zij verkeert, de boete op grond van artikel 14a, tweede lid, van de Abw op een ander bedrag zou moeten worden vastgesteld.
Ten slotte ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw, op grond waarvan het College de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien.

Ook het beroep voor zover dat geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 28 september 2005 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.



Proceskosten

Voor een veroordeling in de proceskosten van appellante in hoger beroep ziet de Raad in dit geval onvoldoende aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 juni 2003 met betrekking tot de aan appellante opgelegde boete;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2005 ongegrond;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 september 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.G. Treffers en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2006.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x