Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AY3776
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening bijstandsuitkering. De inkomsten uit onderneming, verminderd met de kosten die betrokkene in verband met de beŽindiging van de VOF heeft gemaakt, worden alsnog met de over de in geding zijnde periode verstrekte bijstand verrekend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3857 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 mei 2005, 04/1966 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.F.E. Kikken, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2006, waar appellant - zoals vooraf bericht - niet is verschenen en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet, werkzaam bij de gemeente Heerlen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 11 februari 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Appellant heeft, met medeweten van het College, samen met een zakenpartner van 9 juli 2002 tot en met 31 juli 2003 een vennootschap onder firma gedreven. Blijkens een rapport van Accountants- en Belastingadvieskantoor F.A. Janssen te Kerkrade heeft deze onderneming over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 een fiscale winst van Ä 6.180,-- (= Ä 3.090,-- per vennoot) behaald.

Bij besluit van 12 juli 2004 heeft het College het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 herzien in die zin dat de inkomsten uit onderneming alsnog met de over die periode verstrekte bijstand worden verrekend. Daarbij heeft het College het te verrekenen bedrag vastgesteld op Ä 2.551,70, zijnde Ä 3.090,-- verminderd met Ä 538,30 aan kosten die appellant in verband met de beŽindiging van de vennootschap heeft gemaakt.

Bij besluit van 14 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 september 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat met de aan hem toekomende winst geen rekening kan worden gehouden bij de bijstandsverlening, aangezien hij dit inkomen feitelijk niet heeft genoten maar heeft aangewend om zijn aandeel in het negatieve eigen vermogen van de vennootschap aan te zuiveren.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met ingang van 1 januari 2005 is de Wet werk en bijstand (Wwb) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005, LJN AT4358, volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan artikel 54 van de Wwb zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening van het recht op bijstand over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Voorts overweegt de Raad dat bijstand in beginsel wordt verleend in aanvulling op hetgeen men zelf aan inkomsten uit arbeid verwerft. Bij het in mindering brengen van die inkomsten uit arbeid op de van toepassing zijnde bijstandsnorm zal onder meer acht moeten worden geslagen op de artikelen 26, 27, 42, 43 en 47 van de Abw.

De Raad is van oordeel dat de door appellant aan de fiscus opgegeven nettowinst van Ä 3.090,-- moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, dat betrekking heeft op de bijstandsperiode van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003, en waarover appellant redelijkerwijs kon beschikken. Het College was derhalve, gelet op artikel 54, derde lid, onder b, van de Wwb bevoegd het recht op bijstand over genoemde periode te herzien en naar rato op de maandelijkse uitkering in mindering te brengen. Dat appellant ervoor heeft gekozen dat bedrag aan te wenden ter aanzuivering van het voor zijn rekening komend negatief aandeel in de vennootschap, maakt dit niet anders. Nu het College niet het volledige bedrag van de nettowinst in aanmerking heeft genomen, is appellant bovendien niet tekortgedaan.

De Raad ziet geen grond te oordelen dat het College in dit geval in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 te herzien.

Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x