Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AY3777
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet als ongehuwd dient te worden aangemerkt nu er geen sprake is van een situatie dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4773 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 13 juni 2005, 04/1315 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 27 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ís-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2006. Namens appellante is verschenen mr. Van Es. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante heeft het College verzocht om toekenning van bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingaande 13 december 2002. Bij haar aanvraag heeft zij meegedeeld dat zij door haar echtgenoot is verlaten.

Bij besluit van 19 maart 2003, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 27 januari 2004, heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw afgewezen omdat appellante niet als ongehuwd dient te worden aangemerkt nu er geen sprake is van een situatie dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 januari 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met haar echtgenoot ten tijde in geding aangemerkt dienden te worden als een gezin en dat appellante om die reden niet als zelfstandig subject recht had op bijstand, zodat de in geding zijnde aanvraag terecht is afgewezen.

In hoger beroep heeft appellante de in eerste aanleg aangevoerde en door de rechtbank verworpen gronden herhaald.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde, uitvoerige overwegingen. Dit betekent dat ook de Raad appellante houdt aan de door haar afgelegde en ondertekende verklaring en dat mede gezien de overige bevindingen uit het door het College verrichte onderzoek genoegzaam is komen vast te staan dat appellante ten tijde in geding niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. De Raad voegt daaraan nog toe appellante niet te volgen in haar stelling dat de medewerkers van de Dienst SZW van het College niet gerechtigd waren onderzoek te doen in de kasten in haar woning. Uit het van het huisbezoek opgemaakte rapport van 5 maart 2003 blijkt dat appellante op verzoek van die medewerkers zelf de inhoud van deze kasten heeft getoond. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van dit rapport.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2006.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x