Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AY4919
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een maatregel van 10% gedurende één maand op de grond dat betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een trajectplan en daardoor haar inschakeling in de arbeid heeft belemmerd. Daarbij is vanwege het verbod van reformatio in peius afgezien van verdubbeling van de maatregel. Oplegging van een maatregel van 10% gedurende één maand op de grond dat betrokkene, door te volharden in haar weigering mee te werken aan het opstellen van een trajectplan, onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid of naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5785 NABW




U I T S P R A A K


  

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2005, 05/1025 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P. Hoogenraad, advocaat te Maassluis, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006. Voor appellante is verschenen mr. Hoogenraad. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontvangt sinds 1 september 1999 van het College een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb).

Bij besluit van 4 februari 2005, voorzover in hoger beroep van belang, heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 3 februari 2004, 15 maart 2004 en 2 juni 2004 gedeeltelijk gegrond verklaard en nader beslist dat met toepassing van artikel 14, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) twee maatregelen worden opgelegd, beide inhoudende een verlaging van de bijstand van appellante met tien procent gedurende een maand. Aan de eerste maatregel, die betrekking heeft op maart 2004, heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante op 6 januari 2004 heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een trajectplan en daardoor haar inschakeling in de arbeid heeft belemmerd. Het College heeft daarbij overwogen dat, gelet op de artikelen 3 en 5 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit), een maatregel van twintig procent gedurende een maand had moeten worden opgelegd, maar dat daarvan is afgezien in verband met het verbod van reformatio in peius. Aan de tweede maatregel, die betrekking heeft op april 2004, heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante op 4 maart 2004, door te volharden in haar weigering mee te werken aan het opstellen van een trajectplan, onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid of naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 februari 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Vooraf

Met verwijzing naar de beschrijving van het stelsel van gefaseerde invoering van de Wwb en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb) in de onderdelen 4.1.2 en 4.1.3 van zijn uitspraak van 6 december 2005 (LJN AU7664) stelt de Raad, gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IWwb, vast dat het College terecht met toepassing van de Abw heeft beslist op de bezwaren van appellante tegen de op grond van de artikelen 14 en 113 van laatstgenoemde wet en het Maatregelenbesluit genomen besluiten van 3 februari 2004, 15 maart 2004 en 2 juni 2004.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voorzover hier van belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Abw wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Burgemeester en wethouders zijn ingevolge artikel 14, vierde lid, van de Abw daartoe bevoegd indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. In artikel 14, vijfde lid, van de Abw is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit. Ingevolge artikel 3 van het Maatregelenbesluit worden de gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw onderscheiden in een aantal categorieën. Tot de tweede categorie behoort onder meer de gedraging: het niet, dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding. Tot de derde categorie behoren onder meer gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren. Blijkens artikel 5, eerste lid, van het Maatregelenbesluit leiden gedragingen van de tweede en de derde categorie ertoe dat tien procent respectievelijk twintig procent van de bijstand gedurende een maand wordt geweigerd. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit wordt de periode van weigering genoemd in het eerste lid verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.



De maatregel over maart 2004

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante door de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: sociale dienst) voor het opstellen van een trajectplan is verwezen naar een reďntegratiebedrijf. Tijdens een intakegesprek met een medewerker van dat bedrijf op 23 oktober 2003 heeft appellante aangegeven dat zij niet wenste deel te nemen aan een traject. Nadat een medewerker van de sociale dienst appellante tijdens een gesprek op 27 november 2003 te kennen had gegeven dat niet meewerken aan het opstellen van een trajectplan (ernstige) gevolgen kan hebben voor haar uitkering, gaf appellante op 4 december 2003 te kennen dat zij wel zou meewerken. Tijdens een tweede intakegesprek met een medewerker van het reďntegratiebedrijf op 6 januari 2004 heeft appellante geweigerd akkoord te gaan met het opstellen van een trajectplan.

Gelet hierop is de Raad met het College van oordeel dat appellante, voor wie de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw golden, heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een trajectplan. De Raad ziet in de gedingstukken geen aanknopingspunten op grond waarvan staande kan worden gehouden dat ter zake elke vorm van verwijtbaarheid bij appellante ontbreekt. Weliswaar heeft appellante in hoger beroep een op 16 mei 2006 gedateerde medische rapportage overgelegd van psychiater dr. C.R. van Meer, maar die rapportage biedt geen objectieve aanknopingspunten om te oordelen dat appellante op 6 januari 2004 op medische gronden niet in staat was mee te werken aan het opstellen van een trajectplan. De Raad tekent daarbij aan dat het opstellen van een trajectplan mede tot doel heeft de mogelijkheden van arbeidsinschakeling en sociale activering van appellante in kaart te brengen en dat appellante verweten kan worden dat zij dit onderzoek heeft gefrustreerd.

Naar het oordeel van de Raad dient de handelwijze van appellante gekwalificeerd te worden als een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit, namelijk: het niet, dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing en opleiding. Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat het College de handelwijze van appellante ten onrechte heeft gekwalificeerd als een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit, namelijk: een gedraging die de inschakeling in de arbeid belemmert.

Gelet op vorenstaande zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak en gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 4 februari 2005, voorzover dit ziet op de verlaging van de bijstand over maart 2004, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 4 februari 2005 in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit bepaalt dat bij een gedraging van de tweede categorie de weigering van de bijstand bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw wordt vastgesteld op tien procent van de bijstand gedurende een maand. Daarmee is de opgelegde maatregel op zichzelf bezien in overeenstemming. Niet is gebleken dat de omstandigheden van appellante of de mate van verwijtbaarheid het College aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw op een lager bedrag vast te stellen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, in welk geval het College van het opleggen van een maatregel kan afzien.



De maatregel over april 2004

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante tijdens een gesprek met een medewerker van de sociale dienst op 4 maart 2004 op de vraag of zij inmiddels een andere houding had aangenomen ten aanzien van het traject bij het reďntegratiebedrijf heeft geantwoord dat zij beslist niet aan het werk wilde en dat zij met rust gelaten wilde worden. Appellante heeft daarmee volhard in haar weigering mee te werken aan het opstellen van een trajectplan. De Raad ziet in de gedingstukken geen aanknopingspunten op grond waarvan staande kan worden gehouden dat ter zake elke vorm van verwijtbaarheid bij appellante ontbreekt. Ook uit de reeds genoemde medische rapportage van psychiater Van Meer van 16 mei 2006 blijkt niet dat appellante op 4 maart 2004 op medische gronden niet in staat was medewerking te verlenen aan het opstellen van een trajectplan.

Naar het oordeel van de Raad heeft het College de handelwijze van appellante terecht gekwalificeerd als een gedraging van de tweede categorie als vermeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit, te weten: het niet, dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing en opleiding. De maatregel is voorts in overeenstemming met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat de omstandigheden van appellante of de mate van verwijtbaarheid het College aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw op een lager bedrag vast te stellen. De Raad merkt in dit verband op dat appellante, gelet op de omstandigheid dat sprake is van recidive als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit, met de opgelegde maatregel zeker niet te kort is gedaan. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was van het opleggen van een maatregel af te zien.



Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het door psychiater Van Meer uitgebrachte rapport ad € 500,-- is de Raad van oordeel dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de vraagstelling in het rapport van psychiater Van Meer niet is toegesneden op het punt van geschil.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 4 februari 2005, voorzover dit ziet op de verlaging van de bijstand over maart 2004;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x