Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IWwb
x
LJN:
x
AY4974
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering van bijstand ter voorziening in de algemene kosten van het bestaan en van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op de grond dat betrokkene niet heeft aangetoond dat er sprake is van een levensvatbaar bedrijf en dat hij evenmin heeft aangetoond dat de behoefte aan bedrijfskapitaal minder zou bedragen dan het maximale bedrag van €30.417,-. Toepasselijkheid van de IWwb.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4346 BZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 23 mei 2005, 04/1682 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. N.C.A. Elias-Boots, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2006. Voor appellant is mr. P.C.J. Willekens, kantoorgenoot van mr. Elias, verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt vanaf mei 2002 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Op 18 maart 2003 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 28.500,-- voor een door hem te starten bedrijf voor vervoer van tweedehands auto’s naar verschillende havens in Nederland en België en voor bemiddeling (dienstverlening) bij export en verscheping van deze auto’s naar verschillende landen in Afrika. Naar aanleiding hiervan heeft het College advies gevraagd aan IMK Intermediair (IMK), welk advies op 24 juni 2003 is uitgebracht. Blijkens dit advies zijn geen, althans onvoldoende, onderbouwingen van de verwachte omzet en kosten gegeven en zijn er geen concrete aanwijzingen dat in ieder geval een taakstellend omzetniveau kan worden bereikt. Voorts is de verwachting uitgesproken dat appellant over onvoldoende ondernemerskwaliteiten beschikt, gelet op zijn beperkt arbeidsverleden in Nederland, het gebrek aan een gedegen voorbereiding op het ondernemerschap en appellants houding ten opzichte van het ondernemerschap. Geconcludeerd wordt dat appellant niet heeft aangetoond dat van een potentieel levensvatbaar bedrijf kan worden gesproken. Daarnaast is opgemerkt dat de berekende kredietbehoefte hoger is dan de maximale mogelijkheid van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Verder is appellant geadviseerd zich terdege voor te bereiden bijvoorbeeld door het volgen van een gerichte cursus en zijn vaardigheid in de Nederlandse taal te verbeteren.

Bij besluit van 16 juli 2003 is appellants aanvraag afgewezen op de grond dat het door appellant te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

In december 2003 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 30.000,--. Bij deze aanvraag heeft appellant een aangepast plan en aanvullende gegevens overgelegd.

Bij besluit van 5 februari 2004 heeft het College appellants verzoek om een bedrijfskrediet op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) afgewezen.

Bij besluit van 25 mei 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf en dat hij evenmin heeft aangetoond dat de behoefte aan bedrijfskapitaal minder zou bedragen dan het maximale bedrag van € 30.417,--.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 mei 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Het toepasselijke recht

Met ingang van 1 januari 2004 zijn de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Iwwb) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. In de Wwb zijn, anders dan in de Abw, geen bepalingen opgenomen met betrekking tot zelfstandigen.

Op grond van artikel 7 van IWwb worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van de Wwb aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 77 en de paragrafen 4.2, 6.1, 6.4 en 7.1 van die wet.

Op 10 oktober 2003 (Staatsblad 2003, 390) is bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van de IWwb, het Bbz 2004 vastgesteld, dat op 1 januari 2004 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in verbinding met artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004 kan bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is.

Onder een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep wordt volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan.

In artikel 24 van het Bbz 2004 is bepaald dat aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal uitsluitend bijstand in de vorm van een rentedragende lening of borgtocht kan worden verleend tot een bedrag van ten hoogste € 29.889,-- (na indexering per 1 januari 2004: € 30.417,--) per bedrijf of zelfstandig beroep.
  
Appellant heeft zowel in beroep als in hoger beroep aangevoerd dat hij voldoende tegemoet is gekomen aan de kritiek, vermeld in het advies van het IMK van 24 juni 2003, en inmiddels heeft aangetoond dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf. De rechtbank heeft appellant daarin niet gevolgd.

De Raad onderschrijft ter zake het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan toe dat appellant met de nader aangedragen gegevens nog steeds geen deugdelijke onderbouwing heeft gegeven voor de, louter op aannames gebaseerde, omzet. De verwachting dat de interesse van de benaderde autohandelaren tot de begrote omzet zal leiden is door appellant niet met objectieve gegevens, bijvoorbeeld schriftelijke intentieverklaringen, gestaafd. De Raad merkt voorts op dat niet is gebleken dat appellant de overige aanbevelingen van het IMK voldoende heeft opgevolgd.

De grief van appellant dat het College ten onrechte zonder nader advies van het IMK heeft besloten, wordt door de Raad niet gevolgd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College in dit geval kon volstaan met een ambtelijk advies en niet gehouden was zich voor een oordeel opnieuw tot het IMK te wenden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de tweede aanvraag een half jaar na het IMK-advies is ingediend en dat de daarbij nader door appellant verstrekte gegevens, vergeleken met de eerder overgelegde gegevens, geen wezenlijk nieuwe inzichten bieden in de commerciële en financiële positie van het te starten bedrijf.

Gelet op het voorgaande behoeft de tweede afwijzingsgrond dat het benodigde kapitaal hoger zou zijn dan het in Bbz 2004 genoemde maximumbedrag, geen bespreking meer.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en W.I. Degeling als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x