Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AY4976
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting. Medeterugvordering van de hoofdelijk aansprakelijk gestelde partner. Wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3565 NABW en 06/839 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 april 2005, 04/312 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.L. Ruiter, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een besluit van 20 mei 2005 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ruiter. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Hoekstra, werkzaam bij de gemeente Almelo.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 3 oktober 2003 heeft het College het recht op bijstand van [B.G.A. P.] ( hierna: [P.]) over de periode van 15 januari 2003 tot en met 1 april 2003 herzien (lees: ingetrokken). Aan de intrekking ligt ten grondslag dat [P.] de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het College geen melding te maken van het feit dat zij en appellant sedert 15 januari 2003 een gezamenlijke huishouding voerden. Tevens heeft het College bij dat besluit de kosten van bijstand over genoemde periode tot een bedrag van € 3.072,03 van [P.] teruggevorderd. Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft het College het bedrag van € 3.072,03 mede van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 27 februari 2004, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar van [P.] tegen het besluit van 3 oktober 2003 gegrond verklaard, in die zin dat rekening is gehouden met een (fictief) recht op bijstand naar de norm voor gehuwden ter aanvulling van het recht van appellant op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), waardoor het terug te vorderen bedrag nader is bepaald op € 2.566,66 bruto. Tevens is aangegeven dat de in geding zijnde periode loopt van 15 januari 2003 tot 1 april 2003, hetgeen geen gevolgen heeft voor het terug te vorderen bedrag.

Bij besluit van 26 februari 2004 heeft het College op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 oktober 2003 in dezelfde zin beslist en het terug te vorderen bedrag nader bepaald op € 2.566,66 bruto.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep van appellant tegen het besluit van 26 februari 2004 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat onduidelijk is gebleven op welke wijze door het College de loonheffingskorting voor de WAO-uitkering en/of het berekende recht op bijstand is verwerkt.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 20 mei 2005 een nader besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit is het besluit van 26 februari 2004 inhoudelijk gehandhaafd met verbetering van de motivering.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad merkt het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 20 mei 2005, waarmee het College niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet is gekomen, aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling moet worden betrokken. De Raad stelt voorts vast dat, zoals ter zitting van de kant van het College is bevestigd, het besluit van 20 mei 2005 geheel in de plaats is getreden van hetgeen in het besluit van 26 februari 2004 over de terugvordering is besloten, zodat appellant geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dat brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot het besluit van 20 mei 2005 overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt voorop dat het tegen het besluit van 2 oktober 2003 gemaakte bezwaar dateert van vóór 31 december 2003, zijnde de peildatum, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb). Uit artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de IWwb volgt dat terecht met toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) nader op dat bezwaar is beslist.

In het onderhavige geding dient de Raad te beoordelen of het College terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Daarin is bepaald, dat indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65 van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met [P.] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw heeft gevoerd.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van huishouding dan wel anderszins.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en [P.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging.
Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

De Raad is van oordeel dat de beschikbare onderzoeksgegevens, met name de door [P.] tegenover de sociale recherche op 9 april 2003 afgelegde verklaring, een voldoende grondslag bieden voor het standpunt dat er ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg. Als aspecten van wederzijdse zorg kunnen worden genoemd dat [P.] duurzame gebruiksgoederen heeft ingebracht (een TV, stereo en een zonnehemel), dat [P.] kookte en de was deed, dat zij samen de boodschappen deden welke doorgaans door [P.] en incidenteel door appellant werden betaald, dat zij samen de dochter van [P.] naar school brachten en haar doorgaans samen van de naschoolse opvang ophaalden. Verder is van belang dat afgesproken was dat [P.] aan appellant een vergoeding van € 75,-- per maand zou betalen voor het verbruik van gas, water en elektriciteit, doch dat zij deze vergoeding feitelijk nooit heeft betaald.

Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het College terecht heeft aangenomen dat appellant en [P.] tijdens de periode van 15 januari 2003 tot 1 april 2003 een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw hebben gevoerd.

Daaraan doet niet af dat het verblijf van [P.] in de woning van appellant volgens laatstgenoemde voortvloeide uit de precaire situatie waarin [P.] zich bevond. De Raad wijst er in dit verband op dat volgens vaste rechtspraak de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
Uit de gedingstukken volgt dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [P.] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw.

Het College was derhalve gehouden de ten onrechte aan [P.] betaalde bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Met betrekking tot de hoogte van het terug te vorderen bedrag merkt de Raad op dat de Raad geen aanknopingspunten heeft gevonden om de berekening van het van appellant terug te vorderen bedrag aan bijstand, neergelegd in de bijlage van het besluit van 20 mei 2005 en nader toegelicht in de brief van 12 september 2005 waarnaar de Raad kortheidshalve verwijst, voor onjuist te houden. Voor de omstandigheid dat volgens die bijlage het bruto terug te vorderen bedrag iets afwijkt van het bruto terug te vorderen bedrag in het besluit van 20 mei 2005 heeft het College ter zitting van de Raad een afdoende verklaring gegeven. Tevens is de Raad met het College van oordeel dat appellant daardoor niet tekort is gedaan.

De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd ten slotte geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering ten aanzien van appellant af te zien.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en het beroep tegen het besluit van 20 mei 2005 ongegrond moet worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x