Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
ZB8217
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-04-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging bijstand wegens verzwegen werkzaamheden in een stalhouderij. Schending van de inlichtingenverplichting. Is betrokkene als zelfstandige te kwalificeren?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 98/7798 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Rotterdam, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de president van de
Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 29
september 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen. Appellant heeft daarbij verzocht om
versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens gedaagde heeft mr. drs. A.J.M. Bommer, advocaat te
Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is gevoegd behandeld met het geding,
nr. 98/8576 NABW, ter zitting van de Raad op 23 februari 1999.
Aldaar is voor appellant verschenen mr. E. van Lunteren,
werkzaam bij de gemeente Rotterdam, terwijl gedaagde in persoon
is verschenen, bijgestaan door mr. Bommer, voornoemd. Na de
gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en wordt
in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden.

Gedaagde ontving sedert 14 mei 1981 een bijstandsuitkering naar
de norm voor een gezin, welke per 12 oktober 1981 is gewijzigd
naar de norm voor een alleenstaande in verband met het feit dat
gedaagde zijn echtgenote, C (hierna: C) had verlaten. Sedert 1 februari 1997
ontvangt gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Gedaagde en C zijn niet wettig gescheiden.

Naar aanleiding van een anonieme tip is door de Afdeling Bijzondere
Onderzoeken onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van
de aan gedaagde toegekende bijstandsuitkering. Uit de in een
voorlopig rapport neergelegde resultaten van dit onderzoek
heeft appellant afgeleid dat gedaagde werkzaamheden verricht in
de stalhouderij van zijn vader.

Vervolgens heeft appellant bij primair besluit van
29 september 1997 de bijstandsuitkering van gedaagde met ingang
van 1 september 1997 beŽindigd.

Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt, heeft appellant bij het
bestreden besluit van 21 juli 1998 de bezwaren ongegrond
verklaard. Appellant is van oordeel dat gedaagde gelet op de
omvang van de werkzaamheden in het bedrijf van zijn vader niet
werkloos is te achten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de
rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat
appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar van gedaagde
neemt. Tevens heeft de president het door gedaagde ingediende
verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat
het primaire besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de
verzending van de beslissing op bezwaar van appellant.

De president heeft daartoe onder meer overwogen dat het niet
nakomen van verplichtingen op grond van artikel 113, eerste
lid, onder a en d, van de Abw slechts kan leiden tot het
tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren van bijstand en niet
tot intrekking daarvan.

Appellant heeft in hoger beroep voormeld oordeel bestreden.
Appellant heeft daartoe aangevoerd dat genoegzaam is gebleken
dat gedaagde voltijds werkzaam was in de stalhouderij van zijn
vader en niet de intentie heeft (gehad) om door arbeid in
dienstbetrekking in de bestaanskosten te voorzien. Naar het
oordeel van appellant ontbreekt derhalve een reŽle
beschikbaarheid, zodat gedaagde niet als werkloze werknemer kan
worden aangemerkt. Naar de opvatting van appellant is gedaagde
als zelfstandige te kwalificeren, zodat geen aanspraak op een
uitkering op grond van de Abw mogelijk is.

De Raad overweegt als volgt.

Voor de Raad staat in de eerste plaats ter beoordeling of
gedaagde in verband met zijn activiteiten per 1 september 1997
voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen
op arbeid in dienstbetrekking.

In het kader van de op de Algemene Bijstandswet berustende
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers heeft de Raad destijds
geoordeeld dat aan de hoedanigheid van werkloze werknemer niet
in de weg staat dat een betrokkene werkzaamheden verricht als
zelfstandige, mits die werkzaamheden niet van een meer dan
bescheiden omvang zijn.

De beoordeling of sprake is van een werkloze werknemer dan wel
van een zelfstandige met werkzaamheden van meer dan bescheiden
omvang dient plaats te vinden aan de hand van de zich in het
concrete geval voordoende feiten en omstandigheden. Hierbij
dient onder meer te worden gelet op het tijdsbeslag van de
werkzaamheden die de betrokkene al of niet in loondienst
verricht, de al dan niet gebondenheid van de betrokkene aan die
werkzaamheden voor de toekomst, de intentie van de betrokkene
en zijn houding tegenover de (weder)inschakeling in arbeid.

De Raad ziet geen aanleiding om bij de toepassing van de Abw
een ander uitgangspunt te hanteren nu niet is gebleken dat de
wetgever op dit punt een andere koers heeft willen varen.

Blijkens de gedingstukken heeft appellant zijn oordeel doen
steunen op de resultaten van het door de Afdeling Bijzondere
Onderzoeken verrichte onderzoek. De bevindingen daarvan zijn
neergelegd in de onderzoeksrapportage van 30 december 1997.
Daarin zijn opgenomen de door gedaagde tegenover de sociaal
rechercheurs afgelegde verklaringen. Aan die verklaringen wordt
het volgende ontleend:
"het is zeven dagen in de week keihard werken, als hij dat bij
een baas in normale werktijden zou doen, dan zouden er drie,
vier mensen voor nodig zijn, om te doen wat hij in zijn eentje doet.
Hij rijdt mest, onderhoudt stallen, knapt het gebouw op.
Momenteel heeft hij dertien tot veertien paarden gestald staan.
Die paarden zijn niet van hem of van zijn vader, maar van
derden die de paarden bij hen stallen, daarvoor betalen die
mensen f350, voor een pony f250 per maand.
De stalling heet stalling A en staat niet ingeschreven bij de
Kamer van Koophandel.
Zijn vader is 82 jaar, hij woont bij zijn vader in huis, vader
heeft reuma en is hulpbehoevend.
(...)
A verklaart verder:
Ik heb 25 stallen, maar die heb ik nooit helemaal vol gehad,
anderhalf jaar geleden is hij begonnen met het stallen van paarden;
langzamerhand is dat uitgebreid.
De taak van zijn vrouw is het bijhouden van de boekhouding en
zij veegt het erf aan.
De mensen betalen aan A, cash en zij krijgen geen kwitantie.
(...)
De grond van het perceel P.straat heeft
A gehuurd van de NS, dat was ongeveer een half jaar na de
aankoop van de opstal omdat de huur van de grond reeds voor een
half jaar door de vorige eigenaar was betaald.
A heeft het contract met de NS getekend. Hij betaalt f7600 per
jaar voor de huur, dat betaalt hij van de opbrengst van de stalhouderij.
Aan hem wordt een giro gestuurd en hij betaalt op het postkantoor.
Hij huurt ook zelf een paar stukjes grond van de gemeente
Rotterdam, op een stukje grond heeft hij een loopbak voor de
paarden, en een stukje bij de waterkant en een stukje onder het viaduct.
Voor die grond betaalt hij f900 per jaar, hij betaalt alles contant.
(...)
Een brandverzekering wordt betaald uit de opbrengst van de stalhouderij;
het is een verzekering voor de opstal en de stallen;
het bedrag waarvoor het geheel is verzekerd bedraagt
f 313.630,00 en de verzekering staat op naam van A."

Naar aanleiding van hetgeen door of namens gedaagde ter zitting
is aangevoerd merkt de Raad op geen aanknopingspunten te hebben
gevonden te twijfelen aan de juistheid van deze door gedaagde
tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen.

Op grond van deze verklaringen is de Raad met appellant van
oordeel dat moet worden vastgesteld dat gedaagde ten tijde als
hier van belang voltijds werkzaam was als zelfstandig
ondernemer en niet de intentie had om door arbeid in
dienstbetrekking in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien. Evenals appellant heeft ook de Raad vastgesteld dat
bij gedaagde ten tijde van belang geen sprake was van een
zodanige houding tegenover de (weder)inschakeling in de arbeid
dat moet worden gezegd dat gedaagde reŽel beschikbaar was voor
de arbeidsmarkt.

Anders dan de president bij de aangevallen uitspraak heeft
geoordeeld behoefde appellant geen toepassing meer te geven aan
artikel 14, eerste lid (tekst tot 1 januari 1998), van de Abw,
omdat naar het oordeel van de Raad genoegzaam aannemelijk is
geworden dat een wijziging in de opstelling van gedaagde door
het nemen van kortingsmaatregelen niet viel te bereiken.

Naar het oordeel van de Raad volgt uit het wettelijk
systeem, zoals dat in de Abw en het op die wet berustende
Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bz) is neergelegd,
dat de persoon die werkzaamheden als zelfstandige verricht van
meer dan bescheiden omvang slechts in aanmerking kan komen voor
algemene bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan op
grond van artikel 8 van de Abw en het daarop berustende Bz.

Nu gedaagde ten tijde hier in geding voltijds werkzaam was als
zelfstandige, is gezien het vorenstaande terecht met ingang van
1 september 1997 de bijstandsuitkering van gedaagde, welke niet
met toepassing van vorenbedoelde regeling voor zelfstandigen
was verleend, beŽindigd.

Uit het eerder overwogene volgt dat het bestreden besluit in
rechte stand kan houden. Mitsdien dient de aangevallen
uitspraak, voor zover aangevochten, te worden vernietigd.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan artikel 8:75 van de Awb, zodat beslist dient te
worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en
mr. Ch. de Vrey en mr. Th.C. van Sloten als leden, in
tegenwoordigheid van A.M.T. Janmaat als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 6 april 1999.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.M.T. Janmaat.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x