Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
ZB9180
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-12-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstand omdat betrokkene gedurende de periode in geding niet rechtmatig in Nederland verbleef. Is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die het toekennen van bijstand met ingang van een datum gelegen vůůr de datum van de aanvraag rechtvaardigen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 99/1796 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tegelen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Als gemachtigde van appellant heeft mr. Z.M.K.J. Berger, advocaat te Venlo, op de bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Roermond op 25 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 november 2000, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Berger voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Tegelen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 23 augustus 1996 bij de korpschef van de Politie Regio Limburg-Noord een aanvraag ingediend tot het verlenen van een vergunning tot vestiging.

Op 26 augustus 1996 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). In verband met die aanvraag heeft gedaagde aan de genoemde korpschef om een verklaring gevraagd als bedoeld in artikel 12 (oud) van de Abw. Na ontvangst van bedoelde, op 3 september 1996 gedateerde verklaring heeft gedaagde bij besluit van 17 september 1996 de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet beschikt over een geldige verblijfsvergunning. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

Op 15 december 1997 heeft appellant andermaal bij gedaagde een aanvraag ingediend om uitkering ingevolge de Abw, zulks met ingang van 23 augustus 1996. Daarbij heeft hij een brief d.d. 13 augustus 1997 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) overgelegd waarin de ontvangst van een administratief beroepschrift d.d. 2 april 1997 wordt bevestigd en waarin wordt gesteld dat uitzetting achterwege zal blijven totdat een reŽle beslissing is genomen. Op die brief heeft de gemachtigde van appellant, mr. Berger voornoemd, een aantekening geplaatst, inhoudende dat appellant in verband met het achterwege blijven van uitzetting thans niet onrechtmatig in Nederland verblijft en met terugwerkende kracht vanaf 23 augustus 1996 recht heeft op een Abw-uitkering.

Gedaagde heeft ook in verband met de laatstvermelde aanvraag van appellant aan de eerdergenoemde korpschef om een verklaring gevraagd als in artikel 12 (oud) van de Abw bedoeld. Na ontvangst van die verklaring d.d. 17 december 1997, die inhoudt dat appellant anders dan op basis van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet in Nederland verblijft en dat op appellant het bepaalde in artikel 84, eerste lid, onder a en b, van de Algemene Bijstandswet (lees: artikel 12 van de Abw) van toepassing is, heeft gedaagde appellant bij primair besluit van 5 maart 1998 met ingang van 15 december 1997 een bijstandsuitkering toegekend. Op de aanvraag van appellant om bijstand over de periode van 23 augustus 1996 tot 15 december 1997 is afwijzend beslist op de grond dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die het toekennen van bijstand met ingang van een datum gelegen vůůr de datum van aanvraag, rechtvaardigen.

Appellant heeft tegen dat besluit bij bezwaarschrift d.d. 17 maart 1998 bezwaar gemaakt. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat gedaagde dient terug te komen van het hiervoor vermelde besluit van 17 september 1996.

Op 17 juli 1998 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 1998.

Bij besluit van 13 augustus 1998 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 5 maart 1998 alsnog ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 september 1998 heeft appellant onder meer bezwaren tegen het besluit van 13 augustus 1998 naar voren gebracht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de aanvraag van appellant d.d. 15 december 1997 had moeten worden opgevat:
a. als een verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 23 augustus 1996 en
b. als een verzoek om terug te komen van het besluit van 17 september 1996.

Het beroep van appellant, voorzover gericht tegen het besluit van gedaagde om geen uitkering met terugwerkende kracht te verlenen, heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Het beroep van appellant, voorzover gericht tegen het besluit van gedaagde om niet terug te komen van het besluit van 17 september 1996, heeft de rechtbank, met vernietiging van het bestreden besluit in zoverre, gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek; de rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 17 maart 1998 wegens verlies van belang niet-ontvankelijk verklaard. Gedaagde is ter zake veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op f 1420,-- voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Tegelen aan de griffier van de rechtbank.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven en tegen de daarin vastgestelde hoogte van de proceskostenveroordeling.

De Raad heeft met betrekking tot het eerstvermelde punt het volgende overwogen.

De aanvraag d.d. 15 december 1997 van appellant strekte er mede toe gedaagde te verzoeken om terug te komen van het besluit van 17 september 1996.

Gedaagde heeft dat verzoek niet gehonoreerd omdat appellant blijkens de verklaring d.d. 3 september 1996 van de korpschef alstoen niet aan het bepaalde in artikel 12 (oud) van de Abw voldeed en uit de eerder vermelde brief van de IND van 13 augustus 1997 niet blijkt dat appellant ook vůůr 2 april 1997 - de datum van indiening van een administratief beroepschrift - met instemming van de vreemdelingendienst hier te lande verbleef.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen dient de weigering om van een in rechte onaantastbaar geworden besluit terug te komen te worden geŽerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken.
Daarbij ligt het op de weg van degene die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van het eerdere besluit om feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.

Appellant heeft bij zijn verzoek om herziening de hiervoor vermelde brief d.d. 13 augustus 1997 van de IND overgelegd. De Raad is van oordeel dat met die brief niet wordt aangetoond dat het besluit van 17 september 1996 (evident) onjuist was.

Voorts heeft appellant gewezen op de verklaring van de korpschef d.d. 17 december 1997 die in verband met zijn aanvraag d.d. 15 december 1997 is afgegeven. Naar het oordeel van appellant volgt uit die verklaring dat hij vanaf 23 augustus 1996 rechtmatig in Nederland heeft verbleven en daarmee dat het besluit van 17 september 1996 onjuist is.

De Raad kan appellant in dat oordeel niet volgen omdat uit evenbedoelde verklaring niet blijkt dat deze terugwerkende kracht heeft tot de geclaimde datum 23 augustus 1996, terwijl bij die verklaring evenmin de eerdere verklaring van de korpschef d.d. 3 september 1996 is ingetrokken of herzien. In dit verband wijst de Raad erop dat gedaagde gehouden was naar aanleiding van de aanvraag van appellant d.d. 15 december 1997 aan de korpschef een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 45a van het Voorschrift Vreemdelingen te vragen. De daarop gevolgde positieve verklaring d.d 17 december 1997 heeft, nu daaruit van het tegendeel niet blijkt, slechts betekenis voor de aanspraken van appellant op bijstand op en na 15 december 1997 maar mist betekenis voorzover appellant vanaf 23 augustus 1996 aanspraak op bijstand wil maken.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellant voor wat betreft het hier beoordeelde
onderdeel niet slaagt.

Met betrekking tot het hoger beroep, voorzover gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, overweegt de Raad het volgende.

De rechtbank heeft gedaagde wegens het niet tijdig besluiten op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 maart 1998 veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f 1420,--. Dienaangaande bevat de aangevallen uitspraak de volgende overweging:
"De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.".
Appellant kan zich met deze proceskostenveroordeling niet verenigen en heeft daartoe in het beroepschrift het volgende doen aanvoeren:
"Ten aanzien van de proceskosten stelt appellant dat de rechtbank aan de proceshandelingen zijdens appellant ten onrechte slechts twee punten heeft toegekend. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de uitvoerige brief namens appellant d.d. 3 september 1998, waarin inzake procedurenr. 98/680 een repliek is te lezen waarvoor ook een punt had moeten worden toegekend.
Ook had de rechtbank een punt dienen toe te kennen aan de verdere inhoud van deze brief inzake procedurenr. 98/792, temeer daar de rechtbank op grond van dit schriftuur het beroep gegrond heeft verklaard met vernietiging van dat - deel van het - besluit. Aan de proceshandelingen zijdens appellant hadden derhalve minimaal vier punten in totaal moeten worden toegekend."
De Raad is allereerst van opvatting dat de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aanknopingspunten biedt om aan de schriftuur van appellant d.d. 3 september 1998, voorzover betrekking hebbend op het niet tijdig besluiten op zijn bezwaarschrift d.d.17 maart 1998, een punt toe te kennen omdat met dat geschrift niet is gereageerd op een daartoe strekkend verzoek van de rechtbank.

Voorts is de Raad van opvatting dat de omstandigheid dat een beroep dat zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt geacht ook gericht te zijn tegen het reŽle besluit er niet aan in de weg staat om het geschrift waarin de grieven tegen dat reŽle besluit zijn opgenomen, als een beroepschrift aan te merken in de zin van onderdeel A1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat geschrift en de eventuele proceshandelingen die daarop nog volgen kunnen in overeenstemming met het gewicht van de zaak ten materiŽle zo nodig anders worden gewaardeerd dan de proceshandelingen in de zaak die betrekking heeft op het uitblijven van het besluit op bezwaar.

De Raad stelt vervolgens vast dat het reŽle besluit op bezwaar, voorzover daarbij is geweigerd terug te komen van het besluit van 17 september 1996, is vernietigd wegens een motiveringsgebrek. De Raad is onder die omstandigheden van oordeel dat zowel aan het indienen van het als beroepschrift aan te merken geschrift d.d. 3 september 1998 als aan het verschijnen ter zitting in verband met de behandeling van het beroep tegen het reŽle besluit, uitgaande van de gewichtsfactor gemiddeld, ingevolge de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht ťťn punt (in totaal derhalve twee punten) moet worden toegekend. Het feit dat de rechtbank aanleiding heeft gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven, maakt dat niet anders.

De Raad stelt vervolgens vast dat het beroepschrift van 17 juli 1998, gelet op zijn inhoud, slechts gericht was op het verkrijgen van een besluit op bezwaar. Het gewicht ervan moet worden bepaald op licht, als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat hieraan 0,5 punt moet worden toegekend.

Het bedrag van de vergoeding van de in eerste aanleg verleende rechtsbijstand dient derhalve te worden vastgesteld op 2,5 maal f 710,-- = f 1.775,--.

Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad, onder vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre, het bedrag van de proceskosten in eerste aanleg alsnog overeenkomstig het hiervoor vermelde bedrag vaststellen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde eveneens te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Omdat appellant slechts in het gelijk is gesteld voorzover het de door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten betreft en omdat het hoger beroep in zoverre als licht wordt aangemerkt in de zin van onderdeel C van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden deze kosten vastgesteld op f 710,-- voor verleende rechtsbijstand.

Mitsdien wordt als volgt beslist:




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover gedaagde daarbij is veroordeeld in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van f 1420,--;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.775,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,--, te betalen door de gemeente Tegelen aan de griffier van de Raad;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Gelast de gemeente Tegelen aan appellant het door hem in hoger beroep gestorte griffierecht van f 170,-- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.I.'t Hooft als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x