Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AY6384
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstandsuitkering op de grond dat betrokkene geen objectieve, verifieerbare en volledige gegevens heeft overgelegd. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/729 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 22 december 2004, 03/3851(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage (hierna: College).
  
Datum uitspraak: 15 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.P. van Rossum, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. Voor appellant is verschenen mr. Van Rossum. Het College heeft zich - zoals tevoren bericht - niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij (nader) besluit op bezwaar van 1 augustus 2003 heeft het College gehandhaafd zijn besluit van 15 juli 2002, waarbij de aanvraag van appellant om hem met ingang van 2 juli 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) te verlenen is afgewezen. Aan het besluit van 1 augustus 2003 heeft het College ten grondslag gelegd dat de in het kader van zijn aanvraag door appellant overgelegde gegevens onvoldoende zijn om te kunnen vaststellen dat hij verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het College bij brief van 12 mei 2003 aan appellant heeft gevraagd diverse gegevens en bewijsstukken over te leggen, dat appellant weliswaar stukken heeft overgelegd, maar dat hij er niet in is geslaagd om op heldere wijze en in toereikende mate inzicht te geven in zijn financiŽle situatie. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de in beroep overgelegde stukken door de rechtbank buiten beschouwing zijn gelaten, aangezien het College daarmee bij het nemen van het besluit op bezwaar geen rekening heeft kunnen houden.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op een aantal punten tekort is geschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting, te weten ten aanzien van het overleggen van giro- en bankafschriften en financiŽle jaarstukken van het door appellant voorheen geŽxploiteerde koeriersbedrijf, en het verschaffen van informatie over (de afkoop van) een levensverzekering, de verkoop van een privť-auto en het bezit van een of meer caravans. Het gaat hier ook naar het oordeel van de Raad om gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Als gevolg daarvan kon ten tijde van het besluit van 1 augustus 2003 het recht op bijstand met ingang van de aanvraagdatum door het College niet worden vastgesteld.

Volgens vaste - door de rechtbank in dit geval niet onderkende - rechtspraak kan bijstand niet worden geweigerd op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht niet kan worden vastgesteld, indien in (hoger) beroep op grond van nader verkregen informatie het recht alsnog blijkt te kunnen worden vastgesteld. Appellant stelt zich op het standpunt dat die situatie zich hier voordoet. Naar zijn opvatting wijzen de thans beschikbare gegevens uit dat hij ten tijde in geding verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.

De Raad volgt appellant daarin niet. In de eerste plaats zijn nog niet alle door het College gevraagde giro- en bankafschriften voorhanden. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij de ING Bank en de Postbank de nog ontbrekende afschriften in augustus 2003 heeft opgevraagd, maar deze zijn niet verkregen. Voorts heeft appellant naar het oordeel van de Raad niet volledig voldaan aan het verzoek van het College om de financiŽle afwikkeling van zijn koeriersbedrijf inzichtelijk te maken. Appellant heeft wel de door zijn boekhouder opgestelde verlies- en winstrekening over 2001 en een balans per 31 december 2001 overgelegd, maar voor de periode van januari tot en met maart 2002 - binnen welke periode het koeriersbedrijf nog is uitgeoefend - heeft hij volstaan met een door hemzelf opgestelde balans per 31 maart 2002 en met een niet onderbouwde resultatenrekening. De Raad tekent daarbij aan dat, evenals in het jaar 2001, in 2002 sprake is van zeer aanzienlijke privť-opnamen, die niet zijn toegelicht.

Reeds op grond van het voorafgaande kan het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding ook thans niet worden vastgesteld. De overige door het College als onvoldoende duidelijk beschouwde gegevens kunnen dan ook verder buiten bespreking blijven.

Dat appellant vele schulden had maakt het voorgaande niet anders. Evenmin doet aan het voorgaande af de stelling van appellant dat hij ten tijde van zijn aanvraag technisch gesproken failliet was en dat duidelijk was dat hij geen cent bezat. Wat van die stelling verder ook zij, het gaat er om dat het College in het kader van een aanvraag in de gelegenheid is de vermogens- en inkomenspositie van de betrokkene aan de hand van objectieve, verifieerbare en volledige gegevens te beoordelen.

De Raad komt tot de slotsom dat het College de aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt - met verbetering van de gronden - voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x