Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AY8616
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de bijstand omdat betrokkene onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn activiteiten als zelfstandige, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5064 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2005, 04/3257 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/1812 WWB, plaatsgevonden op 15 augustus 2006, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haze en waar het College zich niet heeft laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 8 september 2003 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2003 ingetrokken. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn activiteiten als zelfstandige en dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 30 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 september 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat in het onderhavige geval de aan appellant verleende bijstand bij primair besluit van 8 september 2003 met ingang van 1 augustus 2003 is ingetrokken, dat het College die intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode en dat het College bij zijn besluit van 30 september 2004 deze intrekking per 1 augustus 2003 onverkort heeft gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 augustus 2003 tot en met 8 september 2003.

Ingevolge artikel 65, tweede lid, van de Abw is de belanghebbende verplicht om desgevraagd aan burgemeester en wethouders de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Medewerking kan onder meer worden gevraagd bij de uitvoering van de in artikel 66, tweede en derde lid, van de Abw vervatte verificatie- en onderzoeksplicht van burgemeester en wethouders. Indien een belanghebbende de in artikel 65, tweede lid, van de Abw bedoelde medewerkingsplicht niet of in onvoldoende mate nakomt, en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of belanghebbende verkeert in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw, kan de bijstand worden ingetrokken.

Uit de gedingstukken, en met name uit het Rapport doelmatigheidsonderzoek van 5 september 2003, blijkt dat appellant in het kader van een heronderzoek als bedoeld in artikel 66, derde lid, van de Abw op 6 augustus 2003 ten kantore van de sociale dienst een gesprek heeft gehad met medewerkers van die dienst. Tijdens dat gesprek heeft appellant die medewerkers uitgescholden en luidkeels toegeschreeuwd als gevolg waarvan het gesprek voortijdig is beëindigd. De bewaking moest eraan te pas komen om appellant de deur te wijzen. Voorts blijkt uit het rapport van 5 september 2003 dat appellant een medewerker van de sociale dienst op 28 augustus 2003 tijdens het telefonisch spreekuur heeft bedreigd als gevolg waarvan die medewerker het gesprek heeft beëindigd. Op 2 september 2003 heeft appellant opnieuw de betreffende medewerker telefonisch bedreigd.

Appellant stelt dat hij nimmer enige medewerker van de sociale dienst moedwillig heeft bedreigd, maar dat hij vaak luidkeels spreekt en zijn stem verheft. Ter onderbouwing van die stelling verwijst appellant naar een rapport van 17 juli 2003 waarin door een medewerker van de sociale dienst verslag wordt gedaan van een gesprek met appellant op 16 juli 2003. De Raad volgt appellant niet in deze stelling. Weliswaar valt uit het rapport van 17 juli 2003 op te maken dat het de rapporteur opviel dat appellant fel en luidruchtig kon reageren en dat hij zich daardoor niet bedreigd voelde, maar deze rapportage heeft geen betrekking op het gedrag dat appellant tijdens het eerder genoemde gesprek op 6 augustus 2003 en de telefonische gesprekken op 28 augustus 2003 en op 2 september 2003 ten toon heeft gespreid. De Raad merkt in dat verband op dat blijkens het Rapport doelmatigheidsonderzoek van 5 september 2003 dezelfde medewerker die op 16 juli 2003 met appellant heeft gesproken zich naar aanleiding van het telefoongesprek met appellant op 28 augustus 2003 persoonlijk ernstig bedreigd voelde en zich niet in staat achtte om alleen van het werk naar huis te gaan.

De Raad volgt appellant evenmin in zijn stelling dat het College heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel aangezien hem is toegezegd dat de voor de vaststelling van het recht op bijstand relevante stukken door de sociale dienst zouden worden opgevraagd. Weliswaar heeft het College appellant bij brief van 22 juli 2003 meegedeeld dat de sociale dienst de aanslagen inkomstenbelasting en loonheffing zou opvragen, maar dit betekent niet dat appellant ontheven was van zijn verplichting om tijdig de overige voor de vaststelling van het recht op bijstand relevante en bij genoemde brief van 22 juli 2003 gevraagde bescheiden aan het College te overleggen. Uit de stukken blijkt dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt.

Gelet op vorenstaande is de Raad van oordeel dat sprake is van schending van de in artikel 65, tweede lid, van de Abw bedoelde medewerkingsverplichting waardoor niet kan worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang recht had op bijstand. Het College was dan ook gehouden om met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 augustus 2003 in te trekken. Gelet op het imperatieve karakter van deze bepaling was voor een belangenafweging, zoals appellant voorstaat, geen ruimte.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan het College bevoegd is geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x