Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AY9209
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand op de grond dat betrokkene niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van de gewijzigde gezinssituatie in de periode in geding, in die zin dat zij over die periode niet als alleenstaande ouder kan worden aangemerkt. Boeteoplegging.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6234 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 9 september 2005, 04/2309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 26 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H. Gailjaard, advocaat te s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gailjaard. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente s-Gravenhage.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving laatstelijk vanaf 19 augustus 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een beschikking van de rechtbank s-Gravenhage van 20 augustus 2003 in het kader van een geschil over - onder meer - een omgangsregeling ten behoeve van appellantes zoon [zoon van appellante], geboren op 15 september 1991, heeft het College bij besluit van 24 september 2003 het recht op de bijstand van appellante over de periode van 30 augustus 2002 tot en met 31 augustus 2003 herzien en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van 1.909, 96 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 10 oktober 2003 heeft het College appellante een boete van 220,-- opgelegd.

Bij besluit van 19 april 2004 heeft het College de vr 31 december 2003 tegen de besluiten van 24 september 2003 en 10 oktober 2003 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 april 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij tevens de door het College op grond van de op 1 januari 2005 in werking getreden Maatregelenverordening WWB bij besluit van 3 juni 2005 nader vastgestelde boete van 79,77 in stand gelaten.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, stelt de Raad eerst vast dat het College terecht met toepassing van de Abw heeft beslist op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 24 september 2003 en 10 oktober 2003.



De herziening en de terugvordering

Aan het herzieningsbesluit ligt ten grondslag dat appellante niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van de gewijzigde gezinssituatie in de periode in geding, in die zin dat appellante over die periode niet als alleenstaande ouder kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de Abw, voor zover van belang, wordt onder alleenstaande ouder verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder e, van de Abw wordt onder ten laste komend kind verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

Blijkens de gedingstukken heeft appellante bij haar aanvraag om bijstand aangegeven dat zij de volledige zorg heeft voor haar zoon [zoon van appellante]. Gelet hierop heeft het College appellante bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Voorts heeft appellante nadien tijdens diverse heronderzoeken het beeld geschetst dat er ten tijde in geding tussen haar en de vader van [zoon van appellante] strijd is over de zorg van hun zoon, doch dat [zoon van appellante] in die periode in overwegende mate bij haar verbleef. Bij beschikking van 20 augustus 2003 heeft de rechtbank s-Gravenhage een omgangsregeling voor [zoon van appellante] vastgesteld. Blijkens die beschikking heeft appellante verklaard dat [zoon van appellante] sinds 6 augustus 2002, na interventie van Bureau jeugdzorg, weer bij de vader is gaan wonen. Voorts heeft blijkens die beschikking ook de vader van [zoon van appellante] onweersproken gesteld dat [zoon van appellante] met ingang van 6 augustus 2002 bij hem woont. De Raad ziet geen aanleiding appellante niet aan haar in dat verband afgelegde verklaring te houden en verenigt zich met hetgeen de rechtbank ter zake in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Uit het voorgaande leidt de Raad af dat appellante ten tijde in geding niet de volledige zorg had voor [zoon van appellante].

Het voorgaande betekent dat appellante reeds hierom ten tijde hier van belang als alleenstaande moet worden aangemerkt. Voorts is gebleken dat appellante met ingang van 1 april 2003 niet langer aanspraak maakte op kinderbijslag voor [zoon van appellante], zodat vanaf die datum bovendien niet kan worden gesproken van een ten last komend kind in de zin van artikel 4, aanhef en onder e, van de Abw. Een en ander betekent dat appellante gedurende de hier in geding zijnde periode geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Appellante heeft aan het College onjuiste informatie verstrekt over haar gezinssituatie, zodat zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Het College was derhalve op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden om over de periode in geding tot herziening van de bijstand over te gaan. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan het College bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw zodat het College niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



De boete

Gelet op hetgeen hiervoor ter zake van de herziening en de terugvordering is overwogen staat vast dat appellante de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, door geen juiste mededeling te doen omtrent haar gezinssituatie. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat bij appellante elke verwijtbaarheid ten aanzien van de hiervoor genoemde gedraging ontbreekt. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat deze gedraging heeft geleid tot het tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand was het College verplicht aan appellante een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen.

Wat betreft de berekening van de hoogte van de boete verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te oordelen dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellante kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin zij verkeert, de boete op grond van artikel 14a, tweede lid, van de Abw op een ander bedrag zou moeten worden vastgesteld.

Ten slotte is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw, op grond waarvan het College de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x