Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AZ2946
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. De voorliggende gegevens, zonder ondersteunend bewijs, bieden onvoldoende basis om aan te nemen dat er sprake is van gezamenlijke huishouding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5869 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2005, 04/1270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 21 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr.drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Vlieger, kantoorgenoot van mr. Charry. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 juni 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw).

Naar aanleiding van een melding dat appellante in haar woning aan de [adres 1] een gezamenlijke huishouding voert met M.S. [S.] (hierna: [S.]), heeft de Afdeling Controle en Opsporing van de Sociale dienst Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is op 20 oktober 2003 bij appellante een huisbezoek afgelegd, waarbij appellante en [S.] zijn gehoord. Tevens zijn op die datum buurtbewoners van appellante gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 november 2003.

Genoemd rapport is voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 28 oktober 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2004, de bijstand van appellante vanaf 21 oktober 2003 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat appellante in haar woning een gezamenlijke huishouding voert met [S.]. Door daarvan bij het College geen melding te maken is appellante volgens het College tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 9 maart 2004 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft onderschreven dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en geoordeeld dat het College hieraan het gevolg had moeten verbinden dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, zodat zij geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat de in het onderhavige geval aan appellante verleende bijstand bij primair besluit van 28 oktober 2003 is ingetrokken, dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode en dat het College deze intrekking per 21 oktober 2003 bij het besluit op bezwaar van 9 maart 2004 onverkort heeft gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 21 oktober 2003 tot en met 28 oktober 2003.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Appellante en [S.] stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen. Volgens vaste rechtspraak behoeft het aanhouden van afzonderlijke adressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Het College heeft zich in hoofdzaak gebaseerd op het gegeven dat [S.] bij het bezoek aan de woning van appellante onder verdachte omstandigheden - schuilend in een hoogslaper in één van de kinderslaapkamers - is aangetroffen. Bij het huisbezoek is ook - onder meer in de slaapkamer van appellante - herenkleding aangetroffen. Voorts heeft het College belang gehecht aan de verklaring van de bewoonster van het adres aan de Isabella [adres 2] dat in de woning van appellante een moeder, een vader en vijf kinderen wonen.
De Raad is van oordeel dat deze gegevens, zonder ondersteunend bewijs, onvoldoende basis bieden om aan te nemen dat appellante en [S.] ten tijde in geding gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante.

De Raad overweegt daartoe dat [S.] heeft verklaard dat hij daadwerkelijk woont op het adres waarop hij staat ingeschreven en slechts incidenteel op het adres van appellante verblijft. Niet is onderzocht hoe de woonsituatie van [S.] was op het adres waar hij ingeschreven staat. Voorts is niet gebleken aan wie de in de woning van appellante aangetroffen herenkleding toebehoort. Appellante heeft verklaard dat deze kleding van haar vader, voor wie ze wel eens de was doet, en haar zoon is. Aan de verklaring van de bewoonster van het adres aan de [adres 2] kan geen betekenis worden toegekend aangezien hieruit onvoldoende blijkt dat deze verklaring - mede - betrekking heeft op [S.]. Bovendien verhoudt deze verklaring zich niet met de door de bewoonster van het adres aan de [adres 2] afgelegde verklaring dat op het adres van appellante alleen een vrouw met kinderen woont.

Gelet op het voorgaande komt Raad tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 maart 2004 in stand heeft gelaten. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover aangevochten. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 28 oktober 2003 te herroepen nu dit besluit eveneens is gebaseerd op de onhoudbaar gebleken grond dat appellant in haar woning en met [S.] een gezamenlijke huishouding voert.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en eveneens op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Herroept het besluit van 28 oktober 2003;
Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 november 2006.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) L. Jörg.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x