Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AZ3950
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het bezwaar had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het niet is gericht tegen een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6550 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2005, nr. 03/6252 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. D. Simons, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 05/6482 NABW, plaatsgevonden op 24 oktober 2006, waar namens appellante is verschenen mr. D. Simons en waar het College zich heeft doen vertegenwoordigen door F. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is van 31 augustus 1987 tot 17 maart 1993 gehuwd geweest met H. [G.] (hierna: [G.]). Met ingang van 1 januari 1985 heeft appellante, met onderbrekingen, een bijstandsuitkering ontvangen. Vanaf 26 augustus 1994 heeft appellante gedurende een ononderbroken periode bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 december 1996 was die uitkering gebaseerd op de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van de resultaten van een opsporingsonderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante, heeft het College bij besluit van 3 augustus 2000 de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 april 2000 beëindigd (lees: ingetrokken). Appellante heeft hierin berust.

Vervolgens heeft het College bij besluit van 19 november 2001 de aan appellante verleende bijstand over de periode van 3 juli 1992 tot en met 31 maart 2000 ingetrokken op de grond dat appellante samenwoonde met [G.] en dat zij samen een inkomen hadden dat minstens zo hoog was als de bijstandsuitkering van appellante. Appellante heeft ook tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft het College appellante meegedeeld dat de bijstand wordt ingetrokken over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2000. Daarbij zijn tevens de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.458,49 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 18 november 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 november 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat appellante heeft berust in het besluit van 19 november 2001, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee is komen vast te staan dat appellante over de periode van 3 juli 1992 tot en met 31 maart 2000 geen recht had op bijstand. Met het door appellante aangevochten besluit van 30 oktober 2002 zijn, voor zover het de intrekking van bijstand betreft, geen rechtsgevolgen in het leven geroepen die niet al door het besluit van 19 november 2001 teweeg waren gebracht. Het bezwaar, gelet op de artikelen 8:1, eerste lid, 7:1, eerste lid en 7:11, eerste lid, van de Awb, was derhalve in zoverre niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het College het bezwaar dienaangaande niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het besluit van 18 november 2003, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand, wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. De Raad zal vervolgens zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2002 in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Met het feit dat het besluit van 19 november 2001 in rechte onaantastbaar is geworden, is tevens gegeven dat over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2000 voldaan is aan de voorwaarden voor terugvordering als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Abw. In hetgeen namens appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan het College de bevoegdheid heeft geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het voorgaande betekent dat het besluit van 18 november 2003 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering in stand kan blijven.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 november 2003, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand;
Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2002 in zoverre niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 november 2006.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S. van Ommen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x