Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AZ4400
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstandsuitkering op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld tengevolge van de schending van de inlichtingenverplichting inzake de woonsituatie van betrokkene en de periode van het verblijf van zijn echtgenote in het buitenland. Het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag. De enkele grond dat het recht op bijstand van de echtgenote niet is vast te stellen, kan in dit geval niet leiden tot de conclusie dat het recht op bijstand van betrokkene eveneens niet is vast te stellen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6585 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2005, 04/2224 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Walker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Bos, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 8 maart 2002 heeft appellant, een gehuwde man, een aanvraag om bijstand ingediend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Hierbij heeft hij aangegeven dat zijn echtgenote in verband met familiebezoek sedert 5 maart 2002 in Canada verblijft en daar nog enkele maanden zal verblijven.

Appellant heeft op 31 oktober 2003 een schriftelijke, door hem en zijn echtgenote ondertekende, verklaring overgelegd, inhoudende dat zijn echtgenote sedert 5 april 2002 weer in Nederland verbleef.

De aanvraag om bijstand van 8 maart 2002 heeft - uiteindelijk - geleid tot het besluit van 10 december 2003. Bij dit besluit is de aanvraag afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting inzake de woonsituatie van appellant en de periode van het verblijf van zijn echtgenote in het buitenland.

Tegen het besluit van 10 december 2003 heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het College appellant en zijn echtgenote, na een daartoe ingediende aanvraag, ingaande 22 december 2003 bijstand verleend naar de gehuwdennorm.
  
Bij besluit van 13 april 2004 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 april 2004 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het College in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aan de weigering ten grondslag gelegde schending van de inlichtingenverplichting betreffende de woonsituatie van appellant, niet heeft heroverwogen. Dit heeft echter niet tot een vernietiging van het besluit van 13 april 2004 geleid nu de rechtbank in dit kader voorts heeft overwogen dat de schending van de inlichtingenverplichting betreffende het verblijf van de echtgenote van appellant in het buitenland, een voldoende draagkrachtige motivering biedt voor de afwijzing van de bijstandsaanvraag.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat hij niet, zoals het College beweert, op 22 augustus 2002 heeft verklaard dat zijn echtgenote nog in Canada verbleef. Voorts heeft hij aangevoerd dat hem door de vertraagde afhandeling van de bijstandsaanvraag niet kan worden tegengeworpen dat hij de periode van verblijf van zijn echtgenote in het buitenland niet meer met bewijzen kan aantonen en tevens stelt hij zich op het standpunt dat de inlichtingenverplichting niet (meer) op hem van toepassing was nu zijn aanvraag van 8 maart 2002 eerder bij besluit van 24 april 2002 buiten behandeling was gesteld. Tot slot wordt aangevoerd dat het recht op bijstand tot 5 april 2002 wel is vast te stellen nu over deze periode onbetwist vaststaat dat de echtgenote van appellant in Canada verbleef.

Met betrekking tot de in dit geding voorliggende vraag, namelijk of het College de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen vanwege de schending van de inlichtingenverplichting betreffende het verblijf van de echtgenote van appellant in het buitenland, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Allereerst stelt de Raad vast dat de aanvraag om bijstand van 8 maart 2002 moet worden aangemerkt als een aanvraag ten behoeve van appellant en zijn echtgenote tezamen. Appellant heeft in dat verband niet gesteld, en de Raad ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen, dat er ten tijde in geding sprake zou zijn van een situatie waarin hij en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden.

Vervolgens wijst de Raad op artikel 9, eerste lid, onder d, van de Abw, en op de hierop gebaseerde nadere regelgeving, waaruit is af te leiden dat degene die langer dan de gebruikelijke vakantieduur van minimaal vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand heeft. Dit betekent dat tot 5 april 2002 het verblijf van de echtgenote van appellant in het buitenland niet aan het vaststellen van het recht op bijstand in de weg heeft gestaan. Het College heeft de aanvraag om bijstand in zoverre op een onjuiste grondslag afgewezen.

Vervolgens is de Raad van oordeel dat de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw ter zake van het verblijf van zijn echtgenote op appellant van toepassing is gebleven nu de rechtbank bij uitspraak van 29 augustus 2003 het besluit van 24 april 2002, waarbij de hier aan de orde zijnde aanvraag buiten behandeling was gesteld, heeft herroepen zodat nog niet onherroepelijk op de aanvraag van 8 maart 2002 was beslist en appellant nog immer beoogde met ingang van die datum voor bijstand in aanmerking te komen. Nu appellant en zijn echtgenote geen verifieerbare en concrete informatie hebben verstrekt over de periode van verblijf in het buitenland van de echtgenote, zodat daarover onduidelijkheid is blijven bestaan, is de Raad met het College van oordeel dat de inlichtingenverplichting is geschonden. Hieraan heeft het College naar het oordeel van de Raad terecht het gevolg verbonden dat het recht op bijstand, voor zover het de echtgenote van appellant betreft, niet is vast te stellen.

De enkele grond echter dat het recht op bijstand van de echtgenote niet is vast te stellen kan in dit geval naar het oordeel van de Raad niet leiden tot de conclusie dat het recht op bijstand van appellant eveneens niet is vast te stellen. De Raad wijst in dit kader op artikel 32 van de Abw, ingevolge welk artikel voor de rechthebbende gehuwde recht bestaat op bijstand naar de norm voor een alleenstaande indien een van de gehuwden geen recht heeft op bijstand.

Nu op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is komen vast te staan dat de echtgenote van appellant, naar aanleiding van de aanvraag van 8 maart 2002, vanaf 5 april 2002 geen recht heeft op bijstand aangezien vanaf dat moment haar recht niet is vast te stellen, had het College vervolgens toepassing moeten geven aan artikel 32 van de Abw en de aanvraag om bijstand betreffende appellant op die grond dienen te beoordelen. Door dit na te laten heeft het College de afwijzing van de aanvraag betreffende appellant op een onjuiste grondslag gebaseerd.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 13 april 2004, voor zover hier in geding, op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Hieruit volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en gegrondverklaring van het beroep, het besluit van 13 april 2004 in zoverre dient te worden vernietigd. De Raad zal bepalen dat het College, met inachtneming van deze uitspraak, in zoverre opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december 2003.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 april 2004;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal 140,--vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x