Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AZ4518
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van te veel betaalde bijstand wegens inkomsten uit AAW-uitkering met terugwerkende kracht. Verrekening van de onverschuldigd betaalde bijstand met het UWV. Bestaat er recht op verhaal op de ex-echtgenoot?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5149 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2005, 04/2263 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.J. IJspeerd, werkzaam bij de gemeente IJsselstein.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving over de periode 1 juli 1991 tot en met 31 december 1997 een bijstandsuitkering, achtereenvolgens ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) en de Algemene bijstandswet (Abw). Appellante heeft op 8 juli 1991 een afdrachtsmachtiging ten gunste van de gemeente IJsselstein verleend, strekkende tot - voor zover hier van belang - verrekening van uitkering die zij vanaf 1 juli 1991 ingevolge een van de sociale zekerheidswetten zou ontvangen met de vanwege de gemeente verleende bijstand.

De gemeente IJsselstein heeft de kosten van de aan appellante verleende bijstand, die over de gehele periode f 127.597,22 hebben bedragen, in die periode tot een bedrag van f. 47.900,-- verhaald op de ex-echtgenoot van appellante, A.H. [ex-echtgenoot] (hierna: [ex-echtgenoot]).

De rechtsvoorganger van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft bij besluit van 4 februari 1998 aan appellante (alsnog) met ingang van 1 juli 1991 uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend.

Bij besluit van 1 oktober 1998 heeft het UWV aan appellante bericht dat de AAW-uitkering aan de gemeente IJsselstein wordt uitbetaald tot het bedrag dat door deze gemeente over de periode 1 juli 1991 tot 1 januari 1998 aan appellante aan bijstand is uitbetaald. Appellante heeft tegen deze verrekening van haar AAW-uitkering, die in oktober 1998 feitelijk is doorgevoerd, de rechtsmiddelen van bezwaar, beroep en hoger beroep aangewend, waarbij zij zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat voor verrekening niet in aanmerking kon komen het bedrag dat door [ex-echtgenoot] wegens verhaal aan de gemeente IJsselstein is betaald. In hoger beroep heeft de Raad dat standpunt verworpen. Verwezen zij naar de uitspraak van 7 oktober 2005, 03/2838 (LJN AU4352).

Het College heeft, gelet op de toekenning van AAW-uitkering aan appellante en op de verrekening met het UWV, het door [ex-echtgenoot] betaalde bedrag in mei 1999 aan hem terugbetaald omdat er - achteraf bezien - voor verhaal op [ex-echtgenoot] in het kader van de bijstandswetgeving geen grond bestond.

Bij brief van 10 april 2002 heeft het UWV aan de gemeente IJsselstein gevraagd in verband met de verrekening alsnog een terugvorderingsbeslissing aan appellante af te geven. Bij ongedateerd besluit, verzonden op 26 februari 2003, heeft het College de kosten van de aan appellante over de periode van 1 juli 1991 tot en met 31 december 1997 betaalde bijstand tot een bedrag van Ä 57.901,09 van haar teruggevorderd op de grond dat appellante achteraf bezien gedurende die periode recht had op een AAW-uitkering. Dat betekent, aldus het College, dat appellante naderhand in die periode heeft beschikt over voldoende middelen, zodat aan haar ten onrechte bijstand is verleend.

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het College het tegen het op 26 februari 2003 verzonden besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten - het beroep tegen het besluit van 20 april 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een deels onjuiste wettelijke grondslag, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Anders dan appellante stelt, heeft het College terecht met toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) op het bezwaar van appellante beslist. Het bezwaarschrift is immers ingediend vůůr 1 januari 2004. De Raad wijst op artikel 21, eerste lid, onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand.

Niet in geschil is dat appellante - achteraf bezien - als gevolg van de toekenning aan haar van AAW-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 juli 1991 gedurende de gehele in geding zijnde periode heeft beschikt over inkomen dat gelijk is aan dan wel hoger dan het voor haar geldende bijstandsniveau. Dat betekent dat appellante gedurende deze periode - eveneens achteraf bezien - geen recht had op bijstand.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aangegeven welke wettelijke grondslagen zij voor de terugvordering van de kosten van de aan appellante betaalde bijstand juist acht.

Appellante betwist in hoger beroep dat de rechtbank wat de periode van 1 juli 1991 tot en met 31 juli 1992 betreft van een juiste en deugdelijke wettelijke grondslag is uitgegaan. In het bijzonder is aangevoerd dat ten onrechte voorbij is gegaan aan artikel 70 van de ABW, inhoudende dat de rechtsvordering tot verhaal van bijstand vervalt na verloop van vijf jaren nadat de kosten zijn gemaakt. De Raad volgt appellante hierin niet. Hij kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust, dat dit artikel in dit geval buiten toepassing moet blijven, in het bijzonder gelet op de eerder in deze uitspraak vermelde, op 8 juli 1991 door appellante verstrekte afdrachtsmachtiging, welke voor de uitleg van artikel 70 van de ABW op ťťn lijn dient te worden gesteld met een besluit tot toekenning van bijstand in de vorm van een geldlening of onder de vermelding dat de bijstand bij later ontvangen middelen zal moeten worden terugbetaald. Appellante heeft zich in dit verband nog beroepen op de uitspraak van de Raad van 4 maart 2003, LJN AF6329, maar dat beroep treft geen doel aangezien in het in die uitspraak beoordeelde geval geen sprake was van een uitdrukkelijke afdrachtsmachtiging als thans aan de orde.

Voor de periode van 1 augustus 1992 tot en met 31 december 1997 is de wettelijke grondslag volgens de rechtbank achtereenvolgens artikel 58, eerste lid, van de ABW en artikel 82, eerste lid, van de Abw. Dat oordeel van de rechtbank is niet bestreden. Ook de Raad gaat ten aanzien van deze periode van die grondslagen uit.

Het voorgaande brengt mee dat het College gerechtigd was om tot terugvordering van de kosten van de ten onrechte betaalde bijstand over te gaan. Vanaf 1 augustus 1992 was het College daartoe voorts gehouden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in achtereenvolgens artikel 55, derde lid, van de ABW en artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan het College bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Appellante heeft verder aangevoerd dat - voor zover het College is gerechtigd tot terugvordering - op het totaalbedrag van f 127.597,22 dat in beginsel voor terugvordering in aanmerking komt in mindering dient te worden gebracht het bedrag dat de gemeente IJsselstein op [ex-echtgenoot] heeft verhaald dan wel het bedrag van de door [ex-echtgenoot] verschuldigde alimentatie tot een bedrag van f 27.286, 32.

Deze grief treft geen doel. De Raad overweegt hieromtrent in de eerste plaats dat hij in zijn uitspraak van 7 oktober 2005 reeds het oordeel heeft neergelegd dat de omstandigheid dat de gemeente een deel van de aan appellante betaalde bijstand heeft verhaald op haar ex-echtgenoot dan wel dat deze ex-echtgenoot was verplicht alimentatie aan appellante te betalen, niet met zich brengt dat de door de gemeente opgevoerde bedragen niet volledig als bijstandsuitkering zijn verstrekt. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. De Raad heeft al eerder uitgesproken, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 november 2005, LJN AU9005, dat de door een onderhoudsplichtige betaalde verhaalsbijdrage niet van invloed is op de hoogte van het van de belanghebbende terug te vorderen bedrag aan betaalde bijstand. Appellante heeft zich in dit verband nog beroepen op het in de zojuist genoemde uitspraak eveneens opgenomen oordeel dat hetgeen aan verhaalsbijdragen is ontvangen voor de invordering van de terugvorderingschuld wordt aangemerkt als voor de belanghebbende reeds bevrijdend betaald. De Raad overweegt daaromtrent dat, nog daargelaten dat het in die uitspraak gaat om een andere casuspositie, dat onderdeel van die uitspraak ziet op de invordering van teruggevorderde bijstand. Invordering is in het onderhavige geding evenwel niet aan de orde. Daarbij tekent de Raad aan dat de verrekening met het Uwv evenmin onderdeel uitmaakt van dit geschil. Daaromtrent is reeds onherroepelijk beslist bij de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 7 oktober 2005 in het desbetreffende geding tussen appellante en het UWV. Ten slotte staat in dit verband vast dat op de aan appellante ingevolge het toekenningsbesluit toekomende bijstandsuitkering nooit een bedrag wegens ontvangen alimentatie in mindering is gebracht. Het College kon daartoe ook niet overgaan, aangezien [ex-echtgenoot] aan appellante geen alimentatie heeft betaald.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het College terecht tot terugvordering van het (gehele) bedrag van de over de periode 1 juli 1991 tot en met 31 december 1997 aan appellante betaalde bijstand is overgegaan.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Dat brengt mee dat er geen grond is voor toekenning van de door appellante verzochte veroordeling van het College tot vergoeding van materiŽle schade. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Appellante stelt zich ten slotte op het standpunt dat in dit geschil sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), op grond waarvan aan haar vergoeding van de door haar geleden immateriŽle schade toekomt. De Raad volgt appellante hierin niet. Naar vaste rechtspraak begint de termijn waarbinnen een geschil dient te worden afgehandeld te lopen op de datum van indiening van het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van het bestuursorgaan. Gelet op het tijdsverloop vanaf die datum in het onderhavige geval (10 april 2003) tot aan de datum waarop deze uitspraak van de Raad is gegeven, kan nog niet worden gesproken van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, zodat er ook geen grond is voor vergoeding van immateriŽle schade uit dien hoofde.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter, en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x