Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AZ4880
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand primair op de grond dat betrokkene ten tijde in geding geen woonplaats had in de bestandverstrekkende gemeente en subsidiair dat betrokkene toen beschikte over een vermogen dat de voor hem geldende vermogensgrens overschreed. Intrekking van het recht op bijzondere bijstand voor premiekosten, woonlasten en kosten van orthopedisch schoeisel.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5738 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2005, 05/1490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel (hierna: College).

Datum uitspraak: 12 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Brunia, werkzaam bij de gemeente Krimpen aan den IJssel.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 11 februari 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). Daarnaast ontving hij sedert sedert 11 februari 2003 bijzondere bijstand in de premiekosten van een aanvullende ziektekostenverzekering en over de periode van 11 februari 2003 tot en met 30 juni 2003 bijzondere bijstand in woonlasten. Voorts is aan appellant op 29 januari 2004 bijzondere bijstand verleend in de kosten van orthopedisch schoeisel.

Naar aanleiding van signalen dat appellant niet verbleef op het door hem aan het College opgegeven adres [adres 1] te [woonplaats], maar woonde bij zijn vriendin J.A. [v.d. B.] (hierna: [V.d. B.]) op het adres [adres 2] te [woonplaats] is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, heeft op 10 februari 2004 een huisbezoek op het adres [adres 1] plaatsgevonden, zijn diverse buurtbewoners in de omgeving van dat adres gehoord en hebben appellant en [V.d. B.] verklaringen afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in rapporten van 18 februari 2004, 18 mei 2004 en 6 juli 2004. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluiten van 24 juni 2004 en 9 augustus 2004 de algemene bijstand respectievelijk de bijzondere bijstand in de premiekosten van een aanvullende ziektekostenverzekering met ingang van 1 maart 2004 te beëindigen (lees: in te trekken) en over de periode van 11 februari 2003 tot en met 29 februari 2004 in te trekken. Voorts heeft het College bij het reeds genoemde besluit van 9 augustus 2004 de aan appellant verleende bijzondere bijstand in woonlasten en in de kosten van orthopedisch schoeisel ingetrokken. Tevens heeft het College de over de periode van 11 februari 2003 tot en met 29 februari 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.904,39 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 21 februari 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 24 juni 2004 en 9 augustus 2004 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd primair dat appellant ten tijde hier van belang geen woonplaats had in de gemeente Krimpen aan den IJssel en subsidiair dat appellant toen beschikte over een vermogen dat de voor hem geldende vermogensgrens overschreed.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het College in het besluit van 21 februari 2005 bij de intrekking en de terugvordering ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de artikelen 69 en 81 van de Algemene bijstandswet (Abw), maar dat de toepasselijke wettelijke bepalingen materieel tot hetzelfde resultaat leiden. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 februari 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht om veroordeling tot schadevergoeding

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Vooraf

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wwb in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de Wwb zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening en terugvordering over te gaan en dat de rechten en de verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. In dit verband merkt de Raad op dat artikel 65, eerste lid, van de Abw (ook) in de hier van belang zijnde periode na 1 januari 2004 voor de gemeente Krimpen aan den IJssel nog van toepassing was.

De Raad stelt voorts vast dat bij de primaire besluiten van 24 juni 2004 en 9 augustus 2004 de algemene bijstand respectievelijk de bijzondere bijstand in de premiekosten van een aanvullende ziektekostenverzekering met ingang van 1 maart 2004 zijn ingetrokken en dat het College deze intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij zijn besluit van 21 februari 2005 heeft het College deze intrekking per 1 maart 2004 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. In aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant vanaf 1 juni 2004 jegens het College geen recht heeft op bijstand, betekent het voorgaande dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 maart 2004 tot en met 1 juni 2004. Daarnaast ligt de intrekking van de algemene en bijzondere bijstand over de periode van 11 februari 2003 tot en met 29 februari 2004 ter beoordeling voor.
De periode van 11 februari 2003 tot 11 februari 2004

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw en artikel 40, eerste lid, van de Wwb bestaat recht op bijstand jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Abw en artikel 40, eerste lid, van de Wwb dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Op grond van de onderzoeksgegevens is naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellant van 11 februari 2003 tot 11 februari 2004 hoofdzakelijk bij [V.d. B.] in [woonplaats] verbleef, zodat appellant zijn woonplaats die periode niet (meer) in de gemeente Krimpen aan den IJssel had. De Raad acht daarbij met name van belang de verklaring van [V.d. B.] van 8 maart 2004 dat appellant ongeveer een jaar geleden bij haar is komen wonen. Verder hecht de Raad betekenis aan de verklaringen van getuigen die in de omgeving van het adres van appellant aan de [adres 1] wonen. Uit die verklaringen leidt de Raad af dat appellant slechts af en toe op dat adres aanwezig was. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant post ontving op het adres van [V.d. B.] en daar telefonisch bereikbaar was. Appellant heeft op 6 april 2004 verklaard dat hij vanaf april 2003 tot en met september 2003 op het adres van [V.d. B.] heeft gewoond.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant op grond van artikel 63, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 40, eerste lid, van de Wwb gedurende de periode van 11 februari 2003 tot 11 februari 2004 geen recht op bijstand jegens het College had.

Appellant heeft aan het College geen mededeling gedaan dat hij gedurende de periode van 11 februari 2003 tot 11 februari 2004 zijn woonplaats niet (meer) in Krimpen aan den IJssel had. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van die schending is aan appellant over die periode ten onrechte door het College bijstand verleend, zodat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd was de aan appellant over die periode verleende algemene en bijzondere bijstand in te trekken.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.



De periode van 11 februari 2004 tot 1 juni 2004

Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksgegevens onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant gedurende de periode van 11 februari 2004 tot 1 juni 2004 niet in [woonplaats] woonachtig was. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op 10 februari 2004 een huisbezoek is gebracht aan de woning van appellant, dat appellant toen is meegedeeld dat hij tot 18 februari 2004 de tijd kreeg om aan de sociale dienst mee te delen of hij ging samenwonen in [woonplaats] of dat hij in zijn eigen woning bleef wonen en dat appellant op 18 februari 2004 aan de sociale dienst heeft meegedeeld dat hij zijn relatie met [V.d. B.] sedert een week had verbroken. Voorts heeft appellant op 8 maart 2004 verklaard dat hij overdag op het adres van [V.d. B.] verblijft en 's avonds naar huis gaat om moeilijkheden met de sociale dienst te voorkomen. Ook [V.d. B.] heeft op 8 maart 2004 verklaard dat appellant thans rond 20.00 uur weg gaat en er de volgende dag omstreeks 9.00 uur weer is en dat er dus wel wat is veranderd. Deze verklaringen vinden steun in de in de week van 11 februari 2004 tot 18 februari 2004 uitgevoerde observaties waaruit blijkt dat 's avonds het licht in de woning van appellant brandde en de auto van appellant voor de deur stond.

Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksgegevens evenmin voldoende grondslag om aan te nemen dat appellant gedurende de periode van 11 februari 2004 tot 1 juni 2004 beschikte over een vermogen dat de voor hem geldende vermogensgrens overschreed. De Raad acht in dit kader van belang dat uit de tot de gedingstukken behorende bankafschriften weliswaar blijkt dat de bankrekening van appellant en [V.d. B.] tot januari 2004 een positief saldo van circa € 7000,-- vertoonde, maar dat daarna dat saldo minder dan € 2000,-- bedroeg. [V.d. B.] heeft verklaard dat appellant op 23 januari 2004 € 5000,-- van deze rekening heeft opgenomen. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat appellant in de hier van belang zijnde periode nog over dat bedrag beschikte.

Het vorenstaande betekent dat het besluit van 21 februari 2005, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 11 februari 2004 tot 1 juni 2004, op een onjuiste grondslag berust en derhalve in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het College zal ten aanzien van de intrekking van de bijstand over de periode van 11 februari 2004 tot 1 juni 2004 een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.



De terugvordering

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de intrekking van de bijstand over de periode van 11 februari 2004 tot en met 29 februari 2004 niet in stand kan blijven. Daarmee is de grondslag aan het terugvorderingsbesluit komen te ontvallen, zodat het besluit van 21 februari 2005 ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt en de aangevallen uitspraak ook om die reden niet in stand kan blijven. De Raad zal bepalen dat het College ten aanzien van de terugvordering een nieuw besluit dient te nemen. Bij zijn nadere besluitvorming dient het College ervan uit te gaan dat (in elk geval) over de periode van 11 januari 2003 tot 11 februari 2004 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb en dat het College derhalve bevoegd is de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. De Raad is voorts van oordeel dat hetgeen appellant tot op heden heeft aangevoerd geen grond vormt voor het oordeel dat het College in redelijkheid van die bevoegdheid geen gebruik zou kunnen maken.



Slotoverwegingen

Het verzoek van appellant om schadevergoeding komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het besluit van 21 februari 2005 geleden schade. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

Bij zijn nadere besluitvorming zal het College tevens een beslissing dienen te nemen op het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 februari 2005, voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 11 februari 2004 tot 1 juni 2004 en op de terugvordering;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Krimpen aan den IJssel;
Bepaalt dat de gemeente Krimpen aan den IJssel aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgsproken in het openbaar op 12 december 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x