Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AZ5266
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-12-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-tijdig verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting. Voorts blijkt uit het verzoek om uitstel, mede gelet op de algemene bewoordingen waarin het is gesteld, niet van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006. Het verzet is ongegrond op de grond dat het griffierecht voor de hoger beroepen niet tijdig is betaald.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/1193 NABW en 06/1307 WWB




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2005, 03/824 en 05/1578 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Bij uitspraken als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 27 juni 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraken van 27 juni 2006 heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 7 november 2006, waar appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Met betrekking tot het verzoek om uitstel

Appellant is bij aangetekende brieven van 21 september 2006 naar aanleiding van het verzet tegen de uitspraken van de Raad van 27 juni 2006 uitgenodigd om op 7 november 2006 om 9.45 op de zitting van de Raad te verschijnen. Appellant heeft bij een bij de Raad op 25 oktober 2006 ingekomen faxbericht, dat op 11 oktober 2006 is gedateerd, verzocht om uitstel van behandeling ter zitting. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij tot ten minste ongeveer eind januari 2007 in het buitenland verblijft vanwege familie- en persoonlijke omstandigheden en dat de precieze datum van zijn terugkeer afhangt van zijn gezondheid. Ook heeft hij vermeld dat hij diverse (verzekeringstechnische en juridische) aangelegenheden in Oostenrijk en Zwitserland dient te regelen. De Raad heeft dit verzoek afgewezen. Ter zitting van de Raad heeft appellant aangevoerd dat hij op een datum gelegen voor de zitting van 7 november 2006 met iemand kon meerijden naar Oostenrijk en dat hij als gevolg van het niet verlenen van uitstel door de Raad is aangewezen op vervoer per trein. Appellant stelt dat hij schade heeft geleden, bestaande uit de meerkosten van het vervoer per trein, en vordert dat die hem wordt vergoed.

Artikel 16, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006 (hierna: Procesregeling) bepaalt dat een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting moet worden gemotiveerd en zo spoedig mogelijk schriftelijk moet worden ingediend. Artikel 16, derde lid, van de Procesregeling bepaalt dat het verzoek slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt toegewezen.

De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellant zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodigingsbrieven van 21 september 2006 het verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting schriftelijk heeft ingediend. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het schriftelijke verzoek om uitstel is gedateerd op 11 oktober 2006 en eerst op 25 oktober 2006 per fax bij de Raad is ingekomen. Voorts blijkt uit het verzoek om uitstel, mede gelet op de algemene bewoordingingen waarin het is gesteld, niet van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Procesregeling. De Raad heeft dan ook geen termen aanwezig geacht het verzoek van appellant toe te wijzen. De Raad ziet er in dit kader niet aan voorbij dat appellant ten behoeve van de mondelinge behandeling van zijn verzet voor de zitting van 7 november 2006 met toepassing van artikel 8:56 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet is uitgenodigd en niet op grond van artikel 8:59 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet is opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde ter zitting te verschijnen. Voor vergoeding van de door appellant gestelde, als gevolg van het niet verlenen van uitstel geleden schade, dient appellant, zo hij meent daarop aanspraak te kunnen maken, zich te wenden tot de burgerlijke rechter.



Met betrekking tot het verzet

De uitspraken van de Raad van 27 juni 2006 berusten kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van hoger beroep ingevolge artikel 22, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van 103,-- per zaak niet binnen de bij de aangetekend verzonden brief van 10 april 2006 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In geding is de vraag of het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraken van 27 juni 2006 is gegeven.

In aansluiting op hetgeen in die uitspraken is overwogen merkt de Raad op dat bij de aangetekende brief van 10 april 2006 aan appellant is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag aan griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief moet zijn voldaan en dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de hoger beroepen. Appellant is er voorts op gewezen dat, indien het griffierecht per bank wordt overgemaakt, beslissend is de dag waarop het griffierecht is bijgeschreven op de bankrekening van de Raad. In dit geval heeft bijschrijving van het verschuldigde griffierecht op de rekening van de Raad plaatsgevonden op 9 mei 2006, derhalve na het verstrijken van de in de brief van 10 april 2006 genoemde termijn.

Appellant heeft aangevoerd dat hij van 13 april 2006 tot en met 2 mei 2006 vanwege ziekte en overlijden van een familielid in het buitenland heeft verbleven, dat bij de brieven waarin de ontvangst van zijn hogerberoepschrift tegen de aangevallen uitspraken wordt bevestigd geen acceptgirokaarten waren gevoegd, en dat hij - alvorens het griffierecht te kunnen overmaken - eerst bij zijn bank overschrijfformulieren heeft moeten aanvragen en na ontvangst daarvan direct het griffierecht heeft overgemaakt op de bankrekening van de Raad.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat appellant het verzuim redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het verblijf van appellant in het buitenland van 13 april 2006 tot en met 2 mei 2006 op zichzelf niet in de weg staat aan de tijdige betaling van het verschuldigde griffierecht binnen de bij brief van 10 april 2006 genoemde termijn. De omstandigheid dat appellant naar zijn stellen eerst bij zijn bank overschrijfformulieren heeft moeten aanvragen alvorens het griffierecht te kunnen overmaken naar de bankrekening van de Raad komt voor rekening en risico van appellant. Dat appellant, zoals hij stelt, van de Raad geen acceptgirokaarten heeft ontvangen, doet daaraan niet af. De Raad merkt in dit verband op dat het griffierecht ook kan worden voldaan bij de kas van de griffie van de Raad.



Griffierecht en proceskosten

Appellant heeft aangevoerd dat, indien de hogere beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard op de grond dat het griffierecht niet tijdig is betaald, het door hem betaalde griffierecht dient te worden terugbetaald. De Raad kan appellant hierin niet volgen aangezien de Beroepswet daartoe geen gronden biedt. De Raad ziet voorts geen aanleiding te bepalen dat de gemeente Amstelveen aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet tegen de uitspraken van 27 juni 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x