Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AZ6952
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een maatregel van 10% gedurende één maand op de grond dat betrokkene niet heeft meegewerkt aan een onderzoek tot inschakeling in de arbeid. Heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht vernietigd en de rechtsgevolgen ervan terecht in stand gelaten?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6847 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2005, 04/2766 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 9 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant stond vanaf augustus 1995 bij het toenmalige Arbeidsbureau ingeschreven als werkzoekende. In september 1997 heeft appellant gereageerd op een advertentie voor het omscholingstraject “Werkleerproject exportmedewerker”. Hij is daarvoor niet geselecteerd waartegen hij bezwaar heeft gemaakt. Bij uitspraak van 28 december 2001 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) geoordeeld dat de Regionale Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie Zuidelijk Noord-Holland (RDA) niet op deugdelijke gronden heeft besloten appellant niet te plaatsen voor het hiervoor genoemde traject. Bij die uitspraak is de RDA, thans Centrum voor werk en inkomen (CWI), opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Appellant ontving ten tijde in dit geding van belang een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij brief van 30 januari 2003 heeft het College appellant mededeling gedaan van de aan de bijstand verbonden verplichtingen, waaronder begrepen verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid. In de periode daarna is met appellant meermalen gesproken over zijn mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid en over het volgen van een reïntegratietraject. Op 2 juli 2003 heeft appellant een trajectplan - met als doelstelling dat hij met begeleiding en andere voorzieningen in staat is passend werk te vinden - ondertekend. In het plan is opgenomen dat hij zijn volledige medewerking aan het plan moet verlenen en dat het zonder gegronde redenen niet of onvoldoende meewerken gevolgen heeft voor zijn recht op bijstand.

Appellant is vervolgens aangemeld bij KLIQ-Reïntegratie Amsterdam (hierna: Kliq). Appellant is door Kliq uitgenodigd voor een gesprek op 30 juli 2003, waarvoor appellant zich schriftelijk heeft afgemeld, en voor een gesprek op 21 augustus 2003, waarvoor appellant zich opnieuw schriftelijk heeft afgemeld. Appellant heeft daarbij telkens verwezen naar de uitspraak van het CBB van 28 december 2001 en gesteld dat hij voor het in die uitspraak aan de orde zijnde project heeft gekozen, waarvoor hij nog altijd beschikbaar is.

Bij besluit van 8 december 2003 heeft het College aan appellant de maatregel opgelegd van verlaging van de bijstand met tien procent gedurende een maand met ingang van 1 januari 2004 op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan een onderzoek tot inschakeling in de arbeid.

Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het College het tegen het besluit van 8 december 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 11 mei 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich - samengevat - op het standpunt dat de rechtbank, door een verkeerde lezing van de feiten en een onjuiste hantering van het wettelijk kader, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand heeft gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij de Raad voorop stelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, hoewel kort na de indiening van het bezwaar de Wet werk en bijstand in werking is getreden, op het bezwaarschrift nog met toepassing van de Abw diende te worden beslist.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking dan wel een op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In het vijfde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit).

Ingevolge het Maatregelenbesluit worden de gedragingen bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw onderscheiden in vier categorieën. Tot de tweede categorie behoren ingevolge artikel 3, aanhef en onder 2, sub c, van het Maatregelenbesluit onder meer de volgende gedragingen: het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.

Vaststaat dat appellant op 2 juli 2003 een trajectplan gericht op inschakeling in de arbeid heeft ondertekend en dat hij tweemaal door Kliq, welke instelling vanwege het College was ingeschakeld om appellant bij het traject te begeleiden, is uitgenodigd voor een gesprek over zijn mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid.

Evenals het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, door geen gevolg te geven aan deze uitnodigingen, onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid of naar geschiktheid voor scholing en opleiding. Appellant heeft zowel in bezwaar als in beroep en in hoger beroep aangegeven dat hij vast wil houden aan de uitkomst van de eerdergenoemde procedure bij het CBB en dat zijn voorkeur naar het desbetreffende project uitgaat. In aanmerking genomen dat voor appellant ten tijde van belang de arbeidsverplichtingen ingevolge artikel 113, eerste lid, van de Abw golden en mede gelet op het grote tijdsverloop sedert de datum waarop het omscholingsproject door de RDA werd aangeboden, acht de Raad dat - evenals de rechtbank - geen deugdelijke reden om aan de uitnodigingen van Kliq geen gevolg te geven. Bovendien is appellant daarmee in strijd gekomen met het door hem ondertekende trajectplan. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de kwaliteit en de werkwijze van Kliq doet aan het voorgaande niet af. In dat verband merkt de Raad op dat het niet aan appellant is om vooraf eisen te stellen aan de wijze waarop Kliq de begeleiding zou gaan verrichten. De houding van appellant heeft tot gevolg gehad dat Kliq niet in staat is geweest op basis van het trajectplan (verder) onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van appellant tot inschakeling in de arbeid, tot welk onderzoek mede kan behoren een onderzoek naar geschiktheid voor scholing en opleiding. Bij dat onderzoek had ook de door appellant kennelijk gewenste computeropleiding aan de orde kunnen komen.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond om aan te nemen dat de hiervoor bedoelde gedragingen hem niet kunnen worden verweten. Dit betekent dat het College op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw gehouden was om ten aanzien van deze gedragingen een maatregel op te leggen. Deze gedragingen moeten worden gekwalificeerd als vallende onder de tweede categorie, zoals omschreven in artikel 3, aanhef en onder 2, onderdeel c, van het Maatregelenbesluit.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit behoort bij een gedraging van de tweede categorie de maatregel van weigering van de bijstand van tien procent gedurende een maand. Daarmee is de door het College opgelegde maatregel in overeenstemming. De Raad ziet geen redenen om aan te nemen dat de omstandigheden van appellant en/of de mate van verwijtbaarheid het College aanleiding hadden moeten geven de maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw te matigen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was van het opleggen van een maatregel af te zien.

Al hetgeen appellant verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Met name ziet de Raad geen grond voor het standpunt van appellant dat de rechtbank het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden. Anders dan appellant meent, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de grondslag van het beroepschrift van appellant en op de grondslag van het besluit op bezwaar waartegen dat beroepschrift zich richtte. De rechtbank is daarbij niet buiten de omvang van het geding getreden.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 11 mei 2004 terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Dat brengt tevens mee dat er geen grond is voor de door appellant verzochte veroordeling van het College tot schadevergoeding, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x