Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
BA1867
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zeer ernstig tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waarbij ervan is uitgegaan dat betrokkene per 1 januari 1993 beschikte over een vermogen uit drugshandel van f 1.500.000,-. Beleid met betrekking tot het opleggen van maatregelen wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in geval van het onverantwoord interen op het vermogen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/3308 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 mei 2006, 05/1913 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College).

Datum uitspraak: 20 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lina. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M.S. Crienen, werkzaam bij de gemeente Venlo.




II. OVERWEGINGEN


De Raad ontleent aan de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 2 december 2003, 01/2442, de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, waarbij voor gedaagde moet worden gelezen het College:
"In rechte is komen vast te staan dat appellant in de jaren 1990 tot en met 1993 aanzienlijke inkomsten heeft genoten in verband met de handel in drugs (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 20 oktober 1998, reg.nr. 97/1893 ABW). Omdat appellant bij diverse opeenvolgende aanvragen om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) heeft verzuimd inzicht te verschaffen in de besteding van deze inkomsten en hij hierin heeft volhard, zijn deze aanvagen telkens afgewezen op de grond dat als gevolg van de handelwijze van appellant niet kon worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Laatstelijk is dit gebeurd bij besluit van 7 april 2000 naar aanleiding van een aanvraag van 11 februari 2000.

Nadat appellant bij vonnis van de rechtbank Roermond van 26 april 2000 in staat van faillissement was verklaard, heeft appellant zich op 2 mei 2000 (wederom) tot gedaagde gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Abw.

Bij besluit van 15 juni 2000 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen, wederom op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat appellant niet heeft voldaan aan de wettelijke informatieplicht, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw.

Bij besluit van 7 september 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 15 juni 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat het faillissement weliswaar een gewijzigde omstandigheid is, maar dat dit nieuwe gegeven de inlichtingenplicht ten aanzien van de ontwikkeling van het vermogen onverlet laat.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voorzover hier van belang - het tegen het besluit van 7 september 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard."

De Raad is in deze uitspraak tot de conclusie gekomen dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht van appellant op bijstand per 2 mei 2000 niet kan worden vastgesteld, en heeft het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van de aanvraag. Met het oog daarop heeft de Raad overwogen dat, voor zover het College nog toepassing wenst te geven aan artikel 14, eerste lid, van de Abw, daarbij kan worden uitgegaan van de bedragen die voorheen in rechte zijn komen vast te staan. In de hiervoor genoemde uitspraak van 20 oktober 1998, nr. 97/1893, heeft de Raad verwezen naar de uitspraak van de Belastingkamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 15 mei 1996, waarbij het belastbaar inkomen van appellant over achtereenvolgens de jaren 1991, 1992 en 1993 is vastgesteld op f 500.000,--.

Het College heeft appellant vervolgens in de gelegenheid gesteld nadere gegevens over te leggen. Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het College het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond heeft het tegen het besluit van 24 augustus 2004 ingestelde beroep bij uitspraak van 14 maart 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het College, opnieuw beslissend op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van 2 mei 2000, het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2000 (lees: 15 juni 2000) gegrond verklaard, het besluit van 15 juni 2000 herroepen, en aan appellant in beginsel bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend met ingang van 2 mei 2000, met dien verstande dat:
a. het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 september 2001 niet kan worden vastgesteld als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting;
b. geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande bestaat met ingang van 1 september 2004 wegens samenwoning met [naam partner] en dat vanaf die datum de norm voor een echtpaar geldt;
c. de inkomsten uit arbeid op de bijstand in mindering worden gebracht;
d. vanwege onverantwoorde intering op het vermogen de bijstand over de periode van 2 mei 2000 tot 2 mei 2005 wordt verlaagd met 50% van de norm en de toeslag en de bijstand gedurende deze vijf jaar wordt verleend in de vorm van leenbijstand.

Aan onderdeel d. van dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat sprake is van een zeer ernstig tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten, waarbij het College ervan is uitgegaan dat appellant per 1 januari 1993 beschikte over een vermogen van f 1.500.000,--, en dat, indien sprake zou zijn geweest van een verantwoorde intering tot de datum van de aanvraag om bijstand, appellant nog jaren uit de bijstand had kunnen blijven.

Appellant heeft in beroep onderdeel a. van het besluit van 11 oktober 2005 en de in onderdeel d. van dat besluit neergelegde maatregel van verlaging van de bijstand bestreden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij over de periode van januari 2001 tot en met september 2001 de gegevens die hij nog kon overleggen heeft overgelegd en dat zijn recht op bijstand over die periode kan worden vastgesteld. Verder vindt appellant de opgelegde maatregel buitensporig en excessief.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het College en de rechtbank zijn terecht tot de conclusie gekomen dat op het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de in geding zijnde aanvraag om bijstand nog diende te worden beslist met toepassing van de Abw.

De Raad verenigt zich met het standpunt van het College dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn financiële positie gedurende de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 september 2001, als gevolg waarvan zijn recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. In die periode is met name sprake van substantiële kasstortingen, die volgens appellant leningen betreffen van zijn vader die moeten worden terugbetaald. Daarvoor ontbreekt evenwel een objectieve onderbouwing. In de eerste plaats is de daadwerkelijke overdracht van deze gelden van de vader van appellant aan appellant niet komen vast te staan. Evenmin is gebleken dat het hier gaat om schulden waartegenover een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting staat.

Appellant heeft aangevoerd dat, voor zover moet worden gesproken van het onvoldoende verstrekken van inlichtingen, hem dat niet kan worden verweten omdat het College pas in 2004 om nadere gegevens heeft verzocht ten behoeve van de op 2 mei 2000 ingediende aanvraag om bijstand. De Raad volgt appellant daarin niet. Appellant heeft tegen de afwijzing van die aanvraag bezwaar en (hoger) beroep aangetekend. Het College heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant er rekening mee heeft kunnen houden dat gegevens die van na de aanvraag dateren - zoals hier aan de orde - op enig moment (weer) van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak van appellant op bijstand vanaf mei 2000, zodat het op zijn weg lag deze te bewaren dan wel ervoor te zorgen dat er voldoende bewijs was ten aanzien van deze gegevens.

De grief tegen onderdeel a. van het besluit van 11 oktober 2005 slaagt derhalve niet.

De Raad zal vervolgens de op de toegekende bijstand toegepaste verlaging beoordelen. Daarbij merkt de Raad op dat deze verlaging zich mede uitstrekt over de periode vanaf 1 september 2004, over welke periode aan appellant en [partner], onder aftrek van hun inkomen, bijstand naar de norm voor gehuwden is toegekend. Verder is van belang dat uit de gedingstukken en de ter zitting van de kant van het College gegeven toelichting is gebleken dat het College bij de berekening van het recht op bijstand eerst de maatregel heeft toepast en na effectuering van die maatregel daarop vervolgens het inkomen in mindering heeft gebracht. Feitelijk kon appellant als alleenstaande - en konden appellant en [partner] tezamen - daardoor gedurende de in geding zijnde periode van vijf jaren per maand nooit meer bijstand ontvangen dan tot het bedrag van 50% van de toepasselijke norm en toeslag.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd. Artikel 14, tweede lid, van de Abw bepaalt dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Gelet op de uitspraak van de Raad van 2 december 2003 en in aanmerking genomen het aan appellant toe te rekenen inkomen over 1991 tot en met 1993 en het daarmee opgebouwde vermogen, volgt de Raad het College in zijn standpunt dat appellant in ernstige mate is tekortgeschoten wat betreft zijn verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Normaal gesproken had eiser bij een verantwoorde intering op zijn vermogen tot ver na 1 mei 2000 zelf kunnen voorzien in zijn bestaanskosten. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw gehouden was een maatregel op te leggen.

Gezien de aard van deze gedraging is het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz hier niet van toepassing.

Het College voert sedert 31 januari 2002 beleid met betrekking tot het opleggen van maatregelen wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in geval van het onverantwoord interen op het vermogen. Ingevolge dat beleid kan ten hoogste een maatregel van 20% gedurende 18 maanden worden opgelegd en wel indien onverantwoord is ingekeerd op vermogensbedragen van € 12.000,-- tot € 46.000,--. Het College heeft meegedeeld dat in dat beleid geen rekening is gehouden met een uitzonderlijk geval als thans aan de orde. Onder de Wwb geldt hetzelfde zij het dat daarbij maximaal een verlaging van de bijstand van 50% gedurende drie maanden kan worden opgelegd.

De vraag of de opgelegde maatregel in overeenstemming is met het artikel in 14, tweede lid, van de Abw neergelegde evenredigheidsvereiste beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen ontkennend.

De opgelegde maatregel leidt ertoe dat appellant aanvankelijk als alleenstaande en naderhand als gehuwde gedurende een periode van (in totaal) vijf jaar bijstand toekomt ter hoogte van maximaal 50% van de toepasselijke bijstandsnorm met toeslag. Dat acht de Raad, gegeven de door het College vastgestelde bijstandbehoevendheid bij appellant als alleenstaande respectievelijk gehuwde, uit een oogpunt van redelijke wetstoepassing buiten proportie. Daaraan doet niet af dat het in dit geval gaat om een maatregel die ziet op bijstand over een thans afgesloten periode. Verder neemt de Raad in aanmerking het tijdsverloop sedert 1993 alsmede het gegeven dat appellant ten tijde van de aanvraag failliet was.

De grief van appellant tegen dit onderdeel van het besluit van 11 oktober 2005 slaagt derhalve. Nu de rechtbank hetgeen hiervoor met betrekking tot de verlaging van de bijstand is overwogen niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 11 oktober 2005 vernietigen voor zover het betreft de daarin neergelegde maatregel tot verlaging van de bijstand.

De Raad ziet vervolgens aanleiding - mede met het oog op een definitieve beslechting van dit geschil - om met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien. Daarbij zal de Raad ter voorkoming van fricties de verlaging van de bijstand en de vorm waarin deze is verleend over de periode vanaf 1 september 2004 zoveel mogelijk afstemmen op hetgeen de Raad heeft overwogen en beslist in zijn heden gegeven uitspraak met de nummers 06/515 en 06/517 in het geschil tussen [partner] en het College.

De Raad acht de maatregel van 20% gedurende vijf jaar in overeenstemming met het in artikel 14, tweede lid, van Abw neergelegde evenredigheidsvereiste. In de omstandigheden van appellant ziet de Raad geen aanleiding om de maatregel verder te matigen. Evenmin ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd een dringende reden op grond waarvan van het opleggen van een maatregel moet worden afgezien.

Afstemming op de zaak van [partner] brengt in ieder geval mee dat de aan appellant en [partner] toegekende bijstand voor gehuwden over de periode van 1 september 2004 tot 2 mei 2005 om niet dient te worden verleend, en dat daarop een verlaging van 20% van de norm voor gehuwden dient te worden toegepast.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 11 oktober 2005 voor zover het betreft de verlaging van de bijstand over de gehele in geding zijnde periode en voor zover het betreft de vorm van de bijstand over de periode vanaf 1 september 2004;
Bepaalt dat de bijstand van appellant over de periode van 2 mei 2000 tot 1 september 2004 wordt verlaagd met 20% van de norm voor een alleenstaande met toeslag;
Bepaalt dat de bijstand over de aansluitende periode tot 2 mei 2005 om niet wordt verleend en wordt verlaagd met 20% van de norm voor gehuwden;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Venlo;
Bepaalt dat de gemeente Venlo het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x