Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
BA2779
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-04-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De betreffende brief is slechts een mededeling van feitelijke, administratieve aard, gedaan ter uitvoering van een comptabiliteitsvoorschrift en is derhalve geen (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hoogte van de terugvordering en de wettelijke grondslag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/858 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2005, 04/5321 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 3 april 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Diepen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 oktober 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Op haar verzoek is deze uitkering wegens werkaanvaarding als toezichthouder in dienst van werkgever Alcides beëindigd met ingang van 16 december 2002.

Zowel door medewerkers van de afdeling Terugvordering & Verhaal als van de Sociale Recherche van de sociale dienst Amsterdam is onderzoek gedaan naar de juiste en rechtmatige vaststelling van de einddatum van de uitkering van appellante en de daaruit voortvloeiende wederzijdse verplichtingen en de afwikkeling daarvan. Het resultaat daarvan is bij brief van 17 november 2003 als volgt aan haar kenbaar gemaakt:

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit - waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb een bezwaarschrift kan worden ingediend - verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechterlijke rechtshandeling.

De rechtbank stelt vast dat het (rechtens onaantastbare) terugvorderingsbesluit van 16 januari 1998 ingevolge het bepaalde in het toentertijd van kracht zijnde artikel 87, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) van rechtswege een executoriale titel oplevert in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering.
Ingevolge het tweede lid van genoemde bepaling in verbinding met artikel 14f van de Abw, biedt het besluit tot terugvordering grondslag om zonder tussenkomst van de rechter over te gaan tot dwanginvordering. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de brief van 10 april 2002 moet worden gezien als een herhaling dan wel bevestiging van het besluit van 16 januari 1998. De in de genoemde brief vermelde aanhef “In naam der Koningin” doet daaraan niet af. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het primaire besluit op zichzelf beschouwd niet gericht is op enig rechtsgevolg en derhalve geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt.
Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 10 april 2002 dan ook geen appelabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bij besluit van 16 september 2004 heeft het College het bezwaar van appellante voor zover dat gericht is tegen de hoogte van de terugvordering gegrond verklaard, het bedrag van € 18.891,85 gewijzigd in € 12.976,20 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 september 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat de brief van 17 november 2003 als een gecombineerd herzienings- en terugvorderingsbesluit is aan te merken.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Anders dan het College en de rechtbank is de Raad met appellante van oordeel dat de brief van 17 november 2003 geen besluit bevat tot herziening van bijstand als bedoeld in artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Het hiervoor geciteerde gedeelte uit deze brief betreft een mededeling op grond van artikel 3 van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996 (RAU) en een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Dit blijkt ook uit de aanhef van deze brief, waarin zowel artikel 3 van de RAU als artikel 86 van de Abw worden vermeld, en uit de rapportage die aan de brief ten grondslag ligt.
Bedoelde mededeling is naar het oordeel van de Raad slechts een mededeling van feitelijke, administratieve aard, gedaan ter uitvoering van een comptabiliteitsvoorschrift.

Het besluit op bezwaar van 16 september 2004 bevat evenmin een herzieningsbesluit, waaruit volgt tot welke maandbedragen appellante recht had op algemene bijstand gedurende de hier van belang zijnde periode. De eerst in beroep aan de rechtbank overgelegde bijlage bij dat besluit bevat niet meer dan een concept-herberekening. Wel wordt in het besluit op bezwaar het tegen namens appellante tegen het primaire terugvorderingsbesluit gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de hoogte van het daarin genoemde bedrag van de terugvordering gewijzigd en dat terugvorderingsbesluit voor het overige in stand gelaten. Dit laatste is naar het oordeel van de Raad niet juist, omdat naar vaste rechtspraak toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw een voorafgaand besluit tot intrekking of herziening van het besluit tot toekenning behoeft in het geval dat schending van de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 16 september 2004 wegens strijd met de wet vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Met het oog op de nadere besluitvorming door het College merkt de Raad nog op dat de rechtbank op goede gronden heeft aangenomen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting onvoldoende is nagekomen, zodat, mede gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand een bevoegdheid tot herziening respectievelijk tot terugvordering in dit geval gebaseerd moet worden op de artikelen 69, derde lid, aanhef en onder a, en 81, eerste lid, van de Abw; het oorspronkelijke bezwaar is immers ingediend voor 1 januari 2004. De hantering van die bevoegdheden dient echter beperkt te blijven tot die maanden waarin het toe te rekenen inkomen van appellante achteraf lager blijkt te zijn dan de destijds voor haar geldende bijstandsnorm. Uit de vaste, onder vigeur van de Abw gewezen jurisprudentie van de Raad volgt verder dat bruto-inkomsten van personen die niet als zelfstandige als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Abw kunnen worden beschouwd, volledig op de algemene bijstand in mindering moeten worden gebracht en dat geen ruimte is voor verrekening van verwervingskosten zoals namens appellante is bepleit.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 16 september 2004;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S. van Ommen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x