Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
BA7556
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de bijstand in die zin dat de gemeentelijke toeslag over de periode in geding is vastgesteld op 10% in plaats van op 20%. Tevens zijn de over deze periode tot een te hoog bedrag verleende kosten van bijstand teruggevorderd en is de bijstand over de maand juni 2005 met 50% verlaagd. De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, geen mededeling heeft gedaan van het feit dat een drietal medebewoners hun hoofdverblijf hebben in haar woning en dat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan, zij het niet geheel, met hen kan delen. Punitieve sanctie.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/2999 NABW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 mei 2006, 05/1427 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Voor appellante is verschenen mr. Verstraten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F.M. Brouns, werkzaam bij de gemeente Venlo.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante is vanaf 30 oktober 2002 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%.

Naar aanleiding van een melding van de regiopolitie Limburg-Noord dat, behalve de tot last van appellante komende dochter [A.], ook haar zonen [A.] en [Y.] alsmede de echtgenote van [A.], [E.], in de woning van appellante aan de [adres 1] te [woonplaats] verblijven, heeft de sociale recherche regio Limburg Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie bij de gemeentelijke basisadministratie ingewonnen en is op 13 januari 2005 in de woning van appellante een huisbezoek afgelegd. Tevens is gebruik gemaakt van de bevindingen van de regiopolitie, die onder meer de woningen aan de [adres 1] en aan de [adres 2] te [woonplaats] - het adres waar [A.], [Y.] en [E.] stonden ingeschreven - heeft doorzocht, telefoongesprekken heeft afgeluisterd, alsmede [A.] en [E.] en diverse andere getuigen heeft gehoord. De resultaten van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 26 april 2005.

Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 20 mei 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2003 tot 1 januari 2005 herzien in die zin dat de toeslag over deze periode is vastgesteld op 10% in plaats van op 20%. Tevens zijn de over deze periode tot een te hoog bedrag verleende kosten van bijstand ten bedrage van € 3.457,14 van appellante teruggevorderd en is de uitkering van appellante over de maand juni 2005 met 50% verlaagd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante, in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht, geen mededeling heeft gedaan van het feit dat [A.], [Y.] en [E.] hun hoofdverblijf hebben in haar woning en dat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan, zij het niet geheel, met hun kan delen.
Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt dat haar zonen en schoondochter hun hoofdverblijf hebben in de woning aan de [adres 2] te [woonplaats], althans op een ander adres dan dat van appellante.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 25 van de Wet werk en bijstand (Wwb), tot 1 januari 2004 artikel 33 van de Algemene bijstandswet (Abw), verhoogt het College de norm van een alleenstaande ouder van 21 jaar doch jonger dan 65 jaar met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Toeslagenverordening van de gemeente Venlo - welke verordening ingevolge artikel 3 van de Invoeringswet Wwb zowel onder de Abw als onder de Wwb toepassing vindt - bedraagt de toeslag ingevolge artikel 25 van de Wwb, en tot 1 januari 2004 artikel 33 van de Abw, 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.

De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat [A.], [Y.] en [E.] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Bij een doorzoeking van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] door de politie op 28 september 2004 zijn nagenoeg geen persoonlijke spullen van [A.], [Y.] of [E.] aangetroffen, terwijl in de slaapkamers van de kinderen in de woning van appellante, waar zij diezelfde dag zijn aangehouden, wel persoonlijke spullen van hen zijn aangetroffen. Diverse getuigen hebben verklaard dat de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] niet als woning werd gebruikt, maar dat [A.], [Y.] en [E.] in de woning van appellante verbleven. Dat dit tenminste vanaf 1 juli 2003 al het geval was, acht de Raad voldoende aannemelijk geworden met name op grond van de verklaring van [C.]. Een en ander vindt steun in de telefoontaps die in december 2003 en medio 2004 hebben plaatsgevonden, alsmede in de bevindingen bij het door de sociale recherche afgelegde huisbezoek.

Naar aanleiding van het argument van appellante dat haar zoon [A.] in verband met psychische problemen regelmatig enige tijd bij haar in de woning verblijft, overweegt de Raad dat voor de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft de motieven van de betrokkene daarbij niet van belang zijn. Overigens heeft appellante ook van het verblijf van [A.] in haar woning geen mededeling gedaan.

Nu appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft verzuimd het College in te lichten over de inwoning van haar zonen en schoondochter, als gevolg waarvan aan haar tot een te hoog bedrag aan bijstand is verstrekt, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd de bijstand te herzien. In het verlengde hiervan ligt dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb eveneens bevoegd was de tot een te hoog bedrag gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

Het College voert het beleid dat van intrekking en terugvordering slechts wordt afgezien indien daartoe dringende redenen aanwezig zijn. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel, althans voor zover het betreft de intrekking en de terugvordering die zoals in dit geval het gevolg zijn van schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat het College overeenkomstig deze beleidsregel heeft beslist. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregel had moeten afwijken.

Met betrekking tot de toegepaste verlaging overweegt de Raad dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, vaststaat dat appellante gedurende de periode van 1 juli 2003 tot 1 januari 2005 de op haar rustende inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen. Nu er geen grond is voor het oordeel dat bij appellante elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wwb gehouden om de bijstand te verlagen met in achtneming van de op 1 juli 2004 in werking getreden Afstemmingsverordening Wwb van de gemeente Venlo (Afstemmingsverordening).

Het College heeft zijn beslissing om de bijstand van appellante over de maand juni 2005 met 50% van de bijstandsnorm te verlagen gebaseerd op artikel 11, tweede lid en derde lid, aanhef en onder het c, van de Afstemmingsverordening.

De Raad merkt deze verlaging, die is opgelegd naast de herziening en terugvordering van de bijstand, aan als een punitieve sanctie. De Raad stelt vast dat, in aanmerking genomen dat appellante inmiddels 65 jaar was geworden, toepassing van de Afstemmingsverordening leidt tot een hogere sanctie dan met toepassing van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten het geval zou zijn geweest. Nu het hier een punitieve sanctie betreft, staan artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Vrijheden (IVBPR) er aan in de weg dat, voor zover het de periode van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 betreft, de verlaging is gebaseerd op de Toeslagenverordening.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 30 augustus 2005, voor zover het de toegepaste verlaging betreft, in aanmerking komt voor vernietiging. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 30 augustus 2005 wegens strijd met het EVRM en het IVBPR vernietigen en bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 30 augustus 2005 voor zover het de verlaging betreft;
Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Venlo aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Venlo aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G. van der Wiel en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x