Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AA7419
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een boete van f 300,- op de grond dat betrokkene de omstandigheid dat haar dochter vanaf de datum in geding niet meer tot haar huishouden behoort niet binnen vier weken aan de SVB heeft gemeld. De invordering van de opgelegde boete geschiedt door inhouding van f 75,- op de kinderbijslag. Heeft de rechtbank de hoogte van de boete terecht bepaald op f 100,-? Er is geen procesbelang meer nu de SVB het bestreden besluit hangende het hoger beroep heeft ingetrokken. Proceskostenveroordeling in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/5709 AKW en 99/1550 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 2 juni 1997 heeft gedaagde appellante een boete van f 300,- opgelegd met de motivering dat zij de omstandigheid dat haar dochter [dochter], geboren in 1984, vanaf 20 september 1996 niet meer tot haar huishouden behoort, niet binnen vier weken aan gedaagde heeft doorgegeven. Bij besluit, eveneens van 2 juni 1997, heeft gedaagde bepaald dat de invordering van de opgelegde boete geschiedt door inhouding van f 75,- op de kinderbijslag waarop appellante recht heeft over het tweede kwartaal van 1997 tot en met het eerste kwartaal van 1998.

Bij beslissing op bezwaar van 7 november 1997 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 2 juni 1997 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de boete in vier termijnen van f 75,- wordt verrekend met de kinderbijslag die appellante toekomt over het vierde kwartaal van 1997 tot en met het derde kwartaal van 1998.

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 22 juli 1998 het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaard, die beslissing vernietigd voor zover daarbij de boete is vastgesteld op f 300,- alsmede ten aanzien van de invordering en heeft de hoogte van de boete vastgesteld op f 100,- en tevens bepaald dat gedaagde een nader besluit zal dienen te nemen over de invordering.

Namens appellante is [dochter], werkzaam bij Rechtsbijstand Bureau Administratief Recht te Middenbeemster, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In het aanvullend beroepschrift van 3 augustus 1998 - met bijlagen - zijn de gronden uiteengezet waarop het hoger beroep berust. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 december 1998 - met bijlagen - heeft de gemachtigde van appellante de gronden van het hoger beroep verduidelijkt.

Naar aanleiding van vragen van 's Raads fungerend president heeft gedaagde bij brief van 10 maart 1999 aan de Raad een afschrift gezonden van een nieuwe tot appellante gerichte beslissing op bezwaar, gedateerd 10 maart 1999, waarbij op basis van het met terugwerkende kracht per 1 januari 1999 gewijzigde Boetebesluit AKW in plaats van de boete een waarschuwing is gegeven met de motivering dat appellante voor de eerste keer niet aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan en deze nalatigheid niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 12 maart 1999 gereageerd op de beslissing van 10 maart 1999.

Bij brieven van 29 maart 1999 heeft de Raad partijen meegedeeld dat hij, op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft besloten om tevens een oordeel te geven over gedaagdes nadere beslissing van 10 maart 1999.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 27 juli 1999 de Raad een pleitnota doen toekomen en bij brieven van 7 januari 2000 en 21 januari 2000 een aantal stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door [dochter], voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante, die destijds in [voormalige woonplaats] woonde, heeft tot en met het derde kwartaal van 1996 kinderbijslag ontvangen ten behoeve van haar dochter [dochter]. Op 7 oktober 1996 is gedaagde door de gemeentelijke basisadministratie geļnformeerd dat [dochter] op 20 september 1996 is verhuisd naar een ander adres in [voormalige woonplaats]. Desgevraagd heeft appellante gedaagde op 12 november 1996 schriftelijk bevestigd dat haar dochter op 20 september 1996 is verhuisd en is gaan wonen bij haar vader, de voormalige echtgenoot van appellante.

Gedaagde is van mening dat appellante heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende verplichting door deze wijziging in haar gezinssituatie niet binnen vier weken door te geven en heeft haar om die reden aanvankelijk een boete opgelegd van f 300,- ingevolge artikel 17a Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en het Boetebesluit AKW. In reactie op het voornemen de boete op te leggen heeft appellante aangevoerd dat zij destijds in de veronderstelling verkeerde dat zij kon volstaan met het opgeven van de adreswijziging van haar dochter aan de gemeente.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 15 van de AKW is appellante verplicht aan gedaagde onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag. Artikel 3, lid 2 onder f, van het Boetebesluit AKW, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, bepaalt dat onverwijld mededeling moet worden gedaan van een aantal feiten en omstandigheden aangaande het kind, waaronder de verhuizing, met uitzondering van de verhuizing van het gehele gezin binnen Nederland, en het uitwonend worden van het kind. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Boetebesluit AKW wordt deze verplichting geacht niet te zijn nagekomen als niet binnen vier weken na intreding van het feit of omstandigheid daarvan aan gedaagde mededeling is gedaan.

De Raad stelt vast dat appellante niet binnen vier weken na 20 september 1996 gedaagde ervan in kennis heeft gesteld dat [dochter] is verhuisd naar haar vader. Naar het oordeel van de Raad is dit onmiskenbaar een feit of omstandigheid waarvan appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat het van invloed kan zijn op haar aanspraken op kinderbijslag. Voorts is de Raad van oordeel dat appellante uit het door gedaagde gebruikte mutatieformulier, de daarbij behorende toelichting en een begeleidend schrijven heeft moeten kunnen begrijpen dat uitsluitend de melding van de verhuizing van [dochter] aan de gemeente niet voldoende is, aangezien daarin duidelijk is aangegeven dat met een melding aan de gemeente alleen kan worden volstaan bij verhuizing van het gehele gezin.

Bij het besluit van 10 maart 1999, waartegen het beroep van appellante ingevolge artikel 6:19, eerste lid, Awb mede gericht wordt geacht, heeft gedaagde besloten dat in plaats van de opgelegde boete alsnog wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing op grond van artikel 17a, lid 3, van de AKW, zoals die bepaling vanaf 31 december 1998 luidt, en het met terugwerkende kracht per 1 januari 1999 gewijzigde Boetebesluit AKW. De Raad heeft in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanleiding gevonden voor vernietiging van het besluit van 10 maart 1999. Aangezien gedaagde heeft volstaan met het geven van een waarschuwing ziet de Raad geen reden in te gaan op het verzoek van de gemachtigde van appellante om zich uit te spreken of gedaagde bevoegd is op basis van de AKW een voorwaardelijke boete op te leggen.

Nu gedaagde de beslissing op bezwaar van 7 november 1997 niet langer handhaaft rijst de vraag of appellante in hoger beroep nog een relevant belang heeft. Een dergelijk belang kan - in principe - ontleend worden aan de mogelijkheid een veroordeling te verkrijgen tot vergoeding van schade ingevolge artikel 8:73 Awb. Weliswaar is namens appellante verzocht gedaagde op grond van artikel 8:73 Awb te veroordelen tot vergoeding van schade, maar ter terechtzitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de schade van appellante alleen betrekking heeft op de kosten van de door hem verleende rechtsbijstand. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen kan een belang niet uitsluitend gelegen zijn in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van proceskosten, zoals namens appellante is verzocht. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van een relevant belang.

Ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten van appellante overweegt de Raad het volgende.

De rechtbank heeft gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van f 12,25, zijnde de kosten die zij heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank is van oordeel dat geen vergoeding kan worden toegekend voor verleende rechtsbijstand, aangezien de gemachtigde van appellante heeft aangegeven dat hij de procedure geheel pro deo voert. In hoger beroep heeft appellante betwist dat zij geen kosten aan haar gemachtigde voor de verleende rechtsbijstand is verschuldigd. Aangevoerd is dat appellante ter zake een vergoeding verschuldigd is, gelijk aan het bedrag van de proceskostenveroordeling bij gegrondverklaring van het beroep op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellante genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten verschuldigd is voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel I, onderdeel a, van het Bpb, die voor vergoeding in aanmerking komen.

De Raad acht derhalve termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg alsmede f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand en f 31,- aan reiskosten in hoger beroep, in totaal f 1.451,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 10 maart 1999, ongegrond;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van f 160,- vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep een bedrag groot f 1.451,-.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2000.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x