Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AB1700
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-03-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag onder meer omdat de drie bij hun moeder in Turkije verblijvende kinderen niet als eigen kinderen van betrokkene in de zin van de AKW zijn te beschouwen. In het Turkse recht, wat betreft de vereisten voor een rechtsgeldige erkenning, is sprake van twee essentiŽle verschillen met het Nederlandse recht, nu in het Turkse recht de voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder voor een erkenning niet is vereist en voorts een erkenning door een man die gehuwd is met een andere vrouw dan de moeder van het kind mogelijk is.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/2308 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 23 oktober 1997 heeft gedaagde geweigerd aan appellant vanaf het derde kwartaal van 1996 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van de kinderen C., D. en E..

Bij beslissing op bezwaar van 26 maart 1998, het thans bestreden besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 6 april 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. R.A. Wolleswinkel, advocaat te Barneveld, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Wolleswinkel, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant is sedert 1963 wettig gehuwd met F., geboren in 1943, uit welk huwelijk een zoon is geboren.

Op 23 september 1997 heeft appellant kinderbijslag aangevraagd voor de kinderen C. en D., beiden geboren in 1992, en E., geboren in 1995, die in Turkije verblijven bij hun moeder G.. Uit een door appellant overgelegd uittreksel uit het bevolkingsregister blijkt dat hij deze kinderen heeft erkend. Namens appellant is verklaard dat hij in 1984 kerkelijk is gehuwd met G.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 23 oktober 1997 heeft gedaagde geweigerd kinderbijslag ten behoeve van deze kinderen aan appellant toe te kennen, onder meer, omdat de kinderen niet als eigen kinderen van appellant in de zin van de AKW zijn te beschouwen.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat de erkenning van de kinderen C., D. en E. naar Turks recht niet gelijk te stellen is met een erkenning naar Nederlands recht. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat in het Turkse recht, wat betreft de vereisten voor een rechtsgeldige erkenning, sprake is van twee essentiŽle verschillen met het Nederlandse recht, nu in het Turkse recht de voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder voor een erkenning niet is vereist en voorts een erkenning door een man die gehuwd is met een andere vrouw dan de moeder van het kind mogelijk is.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het gemaakte onderscheid ten aanzien van de toestemming door de moeder niet te rechtvaardigen is, aangezien G. geen enkel bezwaar had en heeft tegen de erkenning. Naar de mening van appellant leidt het standpunt van gedaagde tot rechtsongelijkheid. Voorts is aangevoerd dat, blijkens het arrest van de Hoge Raad van 10 november 1989 (NJ 1990, 450), in het Nederlandse recht een erkenning door een gehuwde man mogelijk is wanneer aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op ťťn lijn valt te stellen.

De Raad stelt voorop dat het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of de kinderen C., D. en E. kunnen worden aangemerkt als eigen kinderen van appellant in de zin van artikel 7 van de AKW.

Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak 7 april 1999 (RSV 1999/189), acht de Raad het in gevallen als het onderhavige een juist uitgangspunt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van eigen kinderen in de zin van de AKW het criterium wordt gehanteerd zoals dat met name bij adopties naar buitenlands recht in de rechtspraak is ontwikkeld. Dit criterium houdt in dat beoordeeld moet worden of de betreffende buitenlandse rechtsfiguur wat betreft de daarvoor geldende vereisten en de daaraan verbonden rechtsgevolgen gelijk is te stellen met de overeenkomstige Nederlandse rechtsfiguur.

De Raad stelt vast dat in het Turkse recht, anders dan in het Nederlandse recht, ten aanzien van erkenningen niet de eis geldt van voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder. Reeds op grond van dit verschil tussen de in het Turkse en het Nederlandse recht gestelde vereisten ten aanzien van erkenning, moet geconcludeerd worden dat de erkenning naar Turks recht voor de toepassing van de AKW niet gelijkgesteld kan worden met een erkenning naar Nederlands recht. Het feit dat G. wel toestemming voor de erkenning had willen geven kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien bepalend is welke vereisten het Turkse recht voor een erkenning stelt. Een bespreking van het door gedaagde verder nog gesignaleerde verschil ten aanzien van de mogelijkheden voor gehuwde mannen om kinderen te erkennen acht de Raad dan ook niet meer noodzakelijk. Ten aanzien van het - niet nader uitgewerkte - beroep van appellant op rechtsongelijkheid merkt de Raad ten slotte nog op dat niet is gebleken van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde terecht C., D. en E. niet als eigen kinderen van appellant in de zin van artikel 7 van de AKW heeft aangemerkt en dat het besluit tot weigering van kinderbijslag in stand moet worden gelaten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x