Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AD7089
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-11-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering en terugvordering van de kinderbijslag op de grond dat het kind op de peildatum niet meer tot het huishouden van betrokkene behoorde. Aangezien het kind in het kader van een proefregeling tweeŽnhalve maand bij zijn vader verbleef, ontbrak de bestendigheid aan het verblijf van het kind bij zijn vader nog volledig.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/996 AKW (Rectificatie)




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 25 februari 1998 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij ingaande het derde kwartaal van 1997 geen recht meer heeft op kinderbijslag voor [C.], geboren [in] 1983. Tevens heeft gedaagde de over het derde kwartaal van 1997 betaalde kinderbijslag voor [C.] ad f 521,-- van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 2 februari 1999 is het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 1998 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 februari 2000 het beroep tegen het besluit van 2 februari 1999 ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 10 februari 2000.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 oktober 2001. Appellante is daar niet verschenen, namens gedaagde is verschenen drs. J.W.P.M. van Rooij, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Appellante is gehuwd geweest met de vader van [C.], welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden. Appellante was laatstelijk met het ouderlijk gezag over [C.] belast. De vader van [C.] heeft in september 1997 een aanvraag om kinderbijslag ingediend en daarin vermeld dat [C.] sedert 14 juni 1997 bij hem verblijft. Uit een door gedaagde ingesteld onderzoek is daarna gebleken dat appellante en de vader van [C.] zijn overeengekomen dat [C.] vanaf 14 juni 1997 bij wijze van proef gedurende tweeŽnhalve maand bij zijn vader zou gaan wonen, waarna [C.] heeft aangegeven bij zijn vader te willen blijven wonen.

Aan het besluit van 5 februari 1998 heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat [C.] met ingang van het derde kwartaal van 1997 niet meer tot het huishouden van appellante behoort. Dit standpunt is gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 2 februari 1999, waarbij gedaagde erop heeft gewezen dat de feitelijke situatie op de peildatum van het derde kwartaal van 1997 bepalend is om vast te stellen of het kind tot het huishouden van appellante behoorde.
De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven, overwegende dat [C.] ingaande het derde kwartaal van 1997 feitelijk niet meer tot het huishouden van appellante behoorde.

Appellante heeft aangevoerd dat zij op 1 juli 1997 nog het ouderlijk gezag over [C.] had en dat hij op grond van een proefregeling bij zijn vader is gaan wonen. Pas later zou worden bezien of hij daadwerkelijk bij zijn vader zou blijven wonen en ook pas later is hierover duidelijkheid ontstaan.

De Raad overweegt als volgt.

Primair is in geschil of [C.] op de peildatum van het derde kwartaal van 1997 nog tot het huishouden van appellante behoorde. In beginsel is voor het antwoord op die vraag bepalend de feitelijke situatie. Dit kan echter anders zijn indien sprake is van een situatie die een tijdelijk karakter heeft, zoals gedaagde ook in zijn beleidsregels heeft weergegeven.

Uit de beschikbare gegevens, waaronder de correspondentie tussen de raadslieden van appellante en de vader van [C.], kan de Raad niet anders afleiden dan dat [C.] op 14 juni 1997 bij zijn vader is gaan wonen in het kader van een proefregeling, die tweeŽnhalve maand zou duren, in welke periode hij ook nog met appellante op vakantie zou gaan. Eerst daarna zou worden bezien of [C.] definitief bij zijn vader zou blijven. Dit betekent dat op 1 juli 1997 de bestendigheid aan het verblijf van [C.] bij zijn vader nog volledig ontbrak, zodat niet gezegd kan worden dat hij op die datum niet meer behoorde tot het huishouden van appellante.

Het voorgaande betekent dat gedaagde ten onrechte kinderbijslag voor [C.] heeft geweigerd over het derde kwartaal van 1997. Aan de terugvordering van de betaalde kinderbijslag over dat kwartaal komt daardoor de grondslag te ontvallen.
De rechtbank heeft het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd, terwijl het bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het inleidende beroep, eveneens zal worden vernietigd. De Raad heeft tevens aanleiding gezien, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat het bezwaar van appellante gegrond wordt verklaard en het besluit van 25 februari 1998 wordt vernietigd.

De Raad zal gedaagde veroordelen tot betaling van de kosten die appellante in verband met haar beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1420,-- in verband met verleende rechtsbijstand. Tevens dient gedaagde het door appellante gestorte griffierecht van in totaal f 230,-- aan haar te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 februari 1998 gegrond wordt verklaard en dat dit besluit wordt vernietigd;
Veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten van appellante ten bedrage van f. 1.420,-;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht van in totaal f 230,-- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x