Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AD8577
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-12-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag omdat betrokkene niet de benodigde gegevens heeft verschaft, waardoor niet kan worden vastgesteld of er recht op kinderbijslag voor de drie in IndonesiŽ verblijvende kinderen bestaat. Inmiddels zijn de geboorteaktes voorzien van een drievoudige legalisatie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1449 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 3 februari 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 december 2000 heeft mr. Tilburg een drietal gelegaliseerde geboorteaktes in het geding gebracht. Op verzoek van de Raad heeft gedaagde vervolgens bij brief van 18 april 2001 zijn standpunt met betrekking tot die aktes kenbaar gemaakt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 oktober 2001, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Tilburg, voornoemd, en waar gedaagde zich - met kennisgeving - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant is [in] 1993 in IndonesiŽ gehuwd met [A.]. In juli 1994 heeft de echtgenote van appellant zich in Nederland gevestigd. Haar kinderen [B.], geboren [in] 1978, [C.], geboren [in] 1981, en [D.], geboren [in] 1983, zijn toen in IndonesiŽ bij hun oma blijven wonen. Appellant heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor deze kinderen.

Gedaagde heeft in oktober 1994, op grond van door appellant overgelegde kopieŽn van documenten omtrent de kinderen, besloten om bij wijze van voorschot kinderbijslag aan appellant te betalen vanaf het eerste kwartaal van 1994. Voorts heeft gedaagde toen aan appellant verzocht de originele documenten beschikbaar te stellen. Vanaf het eerste kwartaal van 1995 zijn geen verdere voorschotten aan appellant betaald door gedaagde. Gedaagde heeft vervolgens aan appellant verzocht gelegaliseerde documenten over te leggen. Nadat appellant in augustus 1995 enige documenten had overgelegd is hem in ieder geval tijdens een hoorzitting op 7 maart 1996 en bij brief van 30 oktober 1996 medegedeeld op welke wijze de legalisatie van de vereiste documenten uit IndonesiŽ dient plaats te vinden.

Bij besluit van 1 oktober 1996 heeft gedaagde de aanvraag van appellant om kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 1994 afgewezen, omdat hij niet de benodigde gegevens had verschaft, waardoor gedaagde niet kon vaststellen of er recht op kinderbijslag voor de genoemde kinderen bestond. Op 28 januari 1997 heeft appellant originele geboorteaktes van de drie hiervoor genoemde kinderen aan gedaagde verstrekt. Gedaagde heeft vervolgens bij brief van 6 februari 1997 aan appellant verzocht om alsnog voor (drievoudige) legalisatie van deze documenten te zorgen.

Bij besluit van 30 juni 1998, het bestreden besluit, heeft gedaagde de weigering van kinderbijslag aan appellant voor de kinderen [B.], [C.] en [D.] vanaf het eerste kwartaal van 1994 gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde het volgende overwogen:

"Bij de beoordeling van het recht op kinderbijslag dient te worden vastgesteld of het kind, waarvoor kinderbijslag wordt aangevraagd, is aan te merken als een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van degene die de aanvraag heeft ingediend. In sommige gevallen is een buitenlandse akte nodig, die dient als bron om een bepaald feit te bewijzen (een zogenaamd brondocument). Een buitenlands brondocument moet door de klant worden overgelegd als zijn gegevens niet via een andere betrouwbare bron, bijvoorbeeld via de GBA of de verbindingsorganen, kunnen worden verkregen of gecontroleerd. Afhankelijk van het land waar het document vandaan komt, moet het document aan bepaalde legalisatie-eisen voldoen.
(...)
U bent verplicht de voorschriften op te volgen, die de Sociale Verzekeringsbank ten behoeve van een doelmatige controle stelt. Deze verplichting omvat (ook) het op verzoek van de Sociale Verzekeringsbank zorgdragen voor originele, drievoudig gelegaliseerde, geboorteaktes. De Sociale Verzekeringsbank is van oordeel dat u voornoemde verplichting niet behoorlijk bent nagekomen: weliswaar heeft u op 27 januari 1997 originele geboorteaktes overgelegd, echter u heeft nagelaten deze aktes (drievoudig) te laten legaliseren. Een en ander brengt mee dat de Sociale Verzekeringsbank niet kan vaststellen of met ingang van het eerste kwartaal van 1994 voor de kinderen [B.], [D.] en [C.] recht op kinderbijslag bestaat."

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, het standpunt van gedaagde onderschrijvend. In hoger beroep zijn namens appellant alsnog drievoudig gelegaliseerde geboorteaktes van de drie hiervoor genoemde kinderen overgelegd. Gedaagde heeft na kennisneming van die aktes medegedeeld dat de op 1 december 2000 overgelegde geboorteaktes als een hernieuwde aanvraag om kinderbijslag aangemerkt zullen worden. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat nog nadere gegevens nodig zijn om de aanspraak om kinderbijslag vanaf het tijdstip gelegen ťťn jaar voor die aanvraag, te kunnen beoordelen.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat gedaagde bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 oktober 1996 heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen, omdat niet aangetoond kon worden dat er recht op kinderbijslag voor de kinderen van zijn echtgenote bestond, aangezien hij de daartoe benodigde documenten niet tijdig aan gedaagde had verstrekt. Uit het bestreden besluit blijkt niet duidelijk op welke wettelijke grondslag gedaagde de weigering van kinderbijslag heeft gebaseerd. Gelet echter op hetgeen gedaagde in het bestreden besluit heeft overwogen, op het ontbreken van een verwijzing in dat besluit naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 17 van de AKW en op het systeem van de AKW, is de Raad van oordeel dat deze weigering aldus verstaan moet worden dat geen recht bestaat op kinderbijslag, omdat niet is komen vast te staan dat de kinderen [B.], [C.] en [D.] aangehuwde kinderen van appellant zijn als bedoeld in artikel 7 van de AKW.

Voorts is de Raad met gedaagde van oordeel dat het aan appellant is om de benodigde gegevens aan te dragen om vast te kunnen stellen of sprake is van een aangehuwd kind. De Raad stelt verder vast dat appellant inmiddels bij brief van 1 december 2000 de eerder al overgelegde geboorteaktes opnieuw heeft overgelegd, welke aktes thans zijn voorzien van een drievoudige legalisatie. Nu gedaagde blijkens zijn brief van 18 april 2001 inmiddels kennelijk aanneemt dat op grond van die gegevens is aangetoond dat de kinderen [B.], [C.] en [D.] aangehuwde kinderen van appellant zijn moet geconcludeerd worden dat het bestreden besluit op een onjuiste feitelijke grondslag is gebaseerd.

Het feit dat appellant, zoals gedaagde heeft overwogen, de in artikel 15 van de AKW bedoelde inlichtingenplicht heeft geschonden kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien de weigering van kinderbijslag - blijkens het hiervoor overwogene - niet is gebaseerd op het niet naleven van die verplichting.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen. Gedaagde dient met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij dient nader ingegaan te worden op de vraag of appellant aan de overige voorwaarden voor aanspraak op kinderbijslag voldoet.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, nu appellant de vereiste gelegaliseerde documenten eerst in hoger beroep heeft overgelegd en niet aangenomen kan worden dat de betreffende documenten niet (veel) eerder gelegaliseerd hadden kunnen worden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad vast dat gedaagde het griffierecht ad f 225,- aan appellant dient te vergoeden.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 225,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x