Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AE4673
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag over de kwartalen in geding voor vijf in Marokko verblijvende kinderen op de grond dat betrokkene niet aantoonbaar voldoende heeft bijgedragen in het onderhoud van deze uitwonende kinderen en bovendien niet heeft aangetoond dat de overgemaakte bedragen ten behoeve van het onderhoud terecht zijn gekomen bij de verzorg(st)er van de kinderen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5258 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 17 december 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1998 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn zes uitwonende kinderen [kind 1], geboren [in] 1982, [kind 2], geboren [in] 1984, [kind 3], geboren [in] 1986, [kind 4], geboren [in] 1988, [kind 5], geboren [in] 1995 en [kind 6], geboren [in] 1998.

Bij besluit op bezwaar van 17 maart 1999 is het bezwaar tegen dat besluit in zoverre gegrond verklaard dat is beslist dat appellant alsnog recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1997 en het eerste kwartaal van 1998 voor zijn hiervoor genoemde kinderen, met uitzondering van [kind 6].

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 30 augustus 2000, verzonden op 31 augustus 2000, het beroep tegen het besluit van 17 maart 1999 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. L. Demmer, advocaat te Nieuwegein, bij beroepschrift van 12 oktober 2000, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 april 2001 is namens appellant een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Demmer voornoemd, en H. Bassit als tolk, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant was tot 10 januari 1991 gehuwd met [vrouw], de moeder van zijn kinderen. Na de echtscheiding is appellant naar Nederland gekomen en zijn zijn kinderen bij zijn voormalig echtgenote in Marokko achtergebleven. Appellant is vervolgens in Nederland in het huwelijk getreden met [vrouw 2]. Dit huwelijk is geëindigd door een op 30 augustus 1995 uitgesproken echtscheiding, welke echtscheiding op 4 oktober 1995 is ingeschreven in het register van de gemeente [woonplaats]. Appellant is [in] 1996 hertrouwd met [vrouw]. Op 18 december 1997 heeft appellant bij verweerder met maximale terugwerkende kracht van drie jaar, kinderbijslag ingevolge de AKW aangevraagd voor zijn kinderen die, volgens appellants opgave, bij een broer van hem in Marokko verblijven.

Omdat appellant niet heeft aangetoond over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1998 in voldoende mate te hebben voldaan aan de vereiste bijdrage in het onderhoud van zijn in Marokko verblijvende uitwonende kinderen, heeft gedaagde appellant het recht op kinderbijslag over voornoemde kwartalen bij primair besluit van 17 december 1998 ontzegd.

Vervolgens heeft gedaagde bij het besluit van 17 maart 1999 appellants bezwaren tegen het besluit van 17 december 1998 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat over het vierde kwartaal van 1997 en over het eerste kwartaal van 1998 wel recht op kinderbijslag bestaat voor vijf kinderen, nu appellant over deze kwartalen aantoonbaar voldoende heeft bijgedragen in het onderhoud van deze kinderen. De weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1997 en over het tweede en derde kwartaal van 1998 is met het besluit van 17 maart 1999 gehandhaafd.

De rechtbank heeft appellants beroep tegen het besluit van 17 maart 1999 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 7 van de AKW is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellants kinderen in de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het tweede kwartaal van 1996 niet tot het huishouden van appellant behoorden, nu er door appellants echtscheiding in 1991, zijn vertrek naar Nederland en zijn huwelijk in Nederland, sprake is geweest van een breuk met een vrij definitief karakter tussen appellant en zijn gezin in Marokko. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze breuk in ieder geval geduurd tot [(...)] 1996, de datum waarop appellant is hertrouwd met zijn voormalig echtgenote. De rechtbank is voorts van oordeel dat deze breuk niet geacht kan worden hersteld te zijn door de door appellant in deze kwartalen in Marokko doorgebrachte vakantieperiodes. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het tweede kwartaal van 1996 geoordeeld dat appellant met de door hem overgelegde bankafschriften niet heeft aangetoond dat de opgenomen bedragen voldoende zijn om aan de vereiste onderhoudsbijdrage te voldoen, noch dat deze bedragen ten goede zijn gekomen aan de verzorg(st)er van de kinderen. Ten aanzien van de resterende kwartalen, te weten het derde kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 en het tweede en derde kwartaal van 1998, oordeelt de rechtbank eveneens dat appellants kinderen niet tot zijn huishouden behoorden. Niet gezegd kan worden dat door het hertrouwen van appellant met zijn voormalig echtgenote en een tweetal vakanties die appellant in 1997 en 1998 in Marokko heeft doorgebracht, de reeds geruime tijd bestaande breuk hersteld kan worden geacht. Voorts is de rechtbank ook ten aanzien van deze kwartalen tot het oordeel gekomen dat appellant niet op voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage te hebben geleverd.

In hoger beroep is namens appellant onder andere aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de breuk in het huishouden niet hersteld kan worden geacht, nu het appellant, vanwege het ontbreken van financiële middelen daartoe, niet kan worden verweten dat hij zijn gezin niet naar Nederland heeft gehaald. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat de overgelegde bankafschriften wel degelijk aantonen dat hij de vereiste onderhoudsbijdragen heeft geleverd. Bovendien had de rechtbank naar het oordeel van appellant dienen te beoordelen of hij heeft voldaan aan de verplichting om de hoogte van de kinderbijslag naar Marokko over te maken in plaats van de minimale onderhoudsbijdrage. Appellant is voorts van oordeel dat de onderhoudsbijdrage naar evenredigheid dient te worden verlaagd, indien het inkomen niet toereikend is om de volledige onderhoudsbijdrage te voldoen. In dat verband meent appellant in ieder geval ten behoeve van vier kinderen aan de onderhoudsbijdrage te hebben voldaan.

De Raad overweegt als volgt.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of gedaagdes weigering van aanspraak op kinderbijslag voor appellants in Marokko verblijvende kinderen over de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1997 en over het tweede en derde kwartaal van 1998, in rechte stand kan houden.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ziet de term huishouden naar algemeen spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW op de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen. Indien in die situatie een - voorlopig - blijvende breuk is ontstaan, staat die eraan in de weg om nog van een huishouden te spreken. Ten aanzien van uit het buitenland afkomstige personen, die hun gezin achterlaten in het land van herkomst, kan onder omstandigheden worden aangenomen dat zij een huishouden met dat gezin zijn blijven vormen, waarvoor wel noodzakelijk is dat blijkt van regelmatig contact met dat gezin en ook dat het gezin (aantoonbaar) financieel wordt ondersteund door de betrokkene.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op appellants echtscheiding in 1991 en zijn vertrek naar en huwelijk in Nederland, tot en met in ieder geval het tweede kwartaal van 1996 een breuk met een vrij definitief karakter tussen appellant en zijn in Marokko verblijvende gezin heeft bestaan, welke breuk naar het oordeel van de Raad niet hersteld kan worden geacht door het enkele feit dat appellant in de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het tweede kwartaal van 1996 een aantal vakanties in Marokko heeft doorgebracht. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat appellant met zijn voormalig echtgenote is hertrouwd [in] 1996 onvoldoende is om de reeds geruime tijd bestaande breuk in het huishouden direct te herstellen. Wel kan het hertrouwen er onder omstandigheden - en met name als er voldoende aanwijzingen daartoe bestaan - toe leiden dat na verloop van tijd aangenomen kan worden dat niet langer sprake is van een breuk tussen de betrokkene en zijn gezin. De Raad is van oordeel dat in ieder geval vanaf het einde van 1997 sprake is van voldoende aanwijzingen als hiervoor bedoeld. Daarbij acht de Raad van belang dat appellant in 1996 en 1997 zijn gezin in Marokko tijdens de vakantie heeft bezocht, dat hij vanaf eind 1997 de onderhoudsbijdrage voor zijn kinderen is gaan overmaken naar de bankrekening van zijn echtgenote in Marokko en dat hij toen - blijkens zijn verklaring ter zitting van de Raad - via brieven en cassettebandjes contact onderhield met zijn gezin. De Raad is van oordeel dat onder deze omstandigheden geconcludeerd moet worden dat appellant vanaf eind 1997 op een voor buitenlandse werknemers gebruikelijke wijze contact heeft onderhouden met zijn gezin in Marokko, zodat vanaf dat moment weer van een huishouden kan worden gesproken. Voor de thans in geding zijnde kwartalen betekent dit naar het oordeel van de Raad dat appellant over het tweede en derde kwartaal van 1998 alsnog recht heeft op kinderbijslag voor vijf, respectievelijk zes, kinderen, nu appellant geacht wordt weer een huishouden met zijn in Marokko verblijvend gezin te vormen.

Het voorgaande betekent dat appellant, wil hij recht kunnen hebben op kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1997, op voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze dient aan te tonen dat hij zijn kinderen in deze kwartalen in belangrijke mate heeft onderhouden. Daarbij is van belang dat de onderhoudsbijdragen overgemaakt moeten worden aan, en opgenomen moeten worden door, de verzorg(st)er van de kinderen en dat overmakingen op een eigen bankrekening van appellant niet als een bijdrage ten behoeve van de kinderen kunnen worden aangemerkt. De Raad heeft geconstateerd dat appellant in de hier nog in geding zijnde kwartalen bedragen heeft overgemaakt naar zijn eigen bankrekening in Marokko. Deze bedragen zijn te laag om aan het vereiste van de minimale onderhoudsbijdrage te voldoen. Nu voorts niet is aangetoond dat deze bedragen terecht zijn gekomen bij de verzorg(st)er van de kinderen, is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht kinderbijslag aan appellant heeft geweigerd over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1997. Aan de op 13 maart 2001 afgelegde verklaring van appellants moeder dat de bedragen, vermeld op de door een derde verzilverde bankcheques, aan haar zijn uitbetaald ten behoeve van het levensonderhoud van appellants kinderen, kan de Raad niet die betekenis toekennen die appellant daaraan wenst te geven.

Voor dit geding ten overvloede overweegt de Raad nog dat in de tekst van artikel 7 van de AKW en in de Beschikking van 24 juni 1983, nr. 52304, en na 1 oktober 1995, in het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag (Koninklijk besluit van 21 september 1995, Stb. 1995, 451) alsmede in de jurisprudentie van de Raad, geen aanknopingspunten te vinden zijn voor appellants stelling dat de onderhoudsbijdrage naar evenredigheid van zijn inkomen verlaagd dient te worden. Zoals de Raad al meermalen in zijn jurisprudentie heeft overwogen (onder andere in RSV 1988/226 en RSV 1990/92) is er bovendien geen ruimte om, zoals appellant wenst, de door hem overgemaakte onderhoudsbijdragen slechts aan vier van zijn kinderen toe te rekenen.

Aldus komt de Raad tot oordeel dat het hoger beroep doel treft en dat het besluit van 17 maart 1999, alsmede de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het recht op kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 1998, voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en € 4,- aan reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep voor zover betrekking hebbend op het tweede en derde kwartaal van 1998 alsnog gegrond;
Vernietigt het besluit van 17 maart 1999 in zoverre;
Verklaart dit beroep voor het overige ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 970,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.S.E. Wulffraat-Van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.). J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x