Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AE6161
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-07-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag op de grond dat betrokkene niet (langer) als verzekerd ingevolge de AKW kan worden aangemerkt omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt. Koppelingwet. Is er sprake van onderscheid naar nationaliteit?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/956 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 25 september 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 1998 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat hij niet verzekerd is ingevolge die wet.

Bij beslissing op bezwaar van 28 januari 1999, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 25 september 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 december 2000 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. A. Barada, advocaat te Amsterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij faxbericht van 26 april 2001 heeft mr. Barada voornoemd de Raad medegedeeld dat de zaak wordt overgenomen door mr. A.P. van Stralen, advocaat te Utrecht. Bij faxbericht van 15 mei 2001 heeft deze gemachtigde de gronden van het hoger beroep ingediend.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 juni 2002, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant is geboren [in] 1964 en bezit de Turkse nationaliteit. Blijkens een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie heeft appellant zich op 9 december 1994 hier te lande gevestigd. Op 23 september 1998 heeft appellant bij de vreemdelingenpolitie Amsterdam een verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Gedaagde heeft kennelijk voorafgaand aan het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag aan appellant uitbetaald.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 25 september 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 1998 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de AKW, omdat hij ingaande 1 juli 1998 niet (langer) als verzekerd ingevolge die wet aangemerkt kan worden. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de AKW, zoals dit artikel luidt sedert de invoering van de zogenoemde Koppelingswet (Stb. 1998, 204) per 1 juli 1998. In dit artikellid is bepaald dat niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant vanaf 1 juli 1998 niet verzekerd was ingevolge de nationale regelgeving. Het beroep van appellant op het uit de koppelingswetgeving voortvloeiende directe onderscheid naar nationaliteit, welk onderscheid ingevolge artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake sociale, culturele en economische rechten (Trb. 1978/178), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Trb. 1978/177) en artikel 3 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (Trb. 1966/155) volgens hem is verboden, heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 augustus 1999 (RSV Actueel, 1999 nr. 11) verworpen.

In hoger beroep is namens appellant het beroep op discriminatie naar nationaliteit herhaald. Voorts heeft appellant er nogmaals op gewezen dat hij op de peildatum van het vierde kwartaal van 1998 wel rechtmatig in Nederland verbleef ingevolge artikel 1b, onder 3, van de Vw, omdat hij op 23 september 1998 een verblijfsvergunning heeft aangevraagd en in Nederland mocht blijven totdat er op deze aanvraag zou zijn beslist.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op grond van het bepaalde in de AKW, zoals die wet sedert de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 luidt, ingaande het derde kwartaal van 1998 niet (langer) verzekerd was ingevolge de AKW, zodat hij over dat kwartaal geen recht meer kon doen gelden op kinderbijslag. Appellant was immers geen vreemdeling die op 1 juli 1998 in Nederland rechtmatig verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de toen geldende Vw en hij kon ook niet op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 1989, 164) als verzekerd aangemerkt worden.

In zijn uitspraken van 26 juni 2001 betreffende de toepassing van de Koppelingswet, onder meer gepubliceerd in RSV 2001/188 en 216 en USZ 2001/183 en 186, heeft de Raad vastgesteld dat in die wet sprake is van een onderscheid naar nationaliteit. Voorts heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat bij de toetsing van dit onderscheid aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) het uitgangspunt van de Koppelingswet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij hem in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de toepassing van de Koppelingswet op de categorie vreemdelingen genoemd in onderdeel 3 van artikel 1b van de Vw. Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een rechterlijke beschikking uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten.
De Raad heeft voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de Algemene bijstandswet (Abw), de AKW en de werknemersverzekeringen, in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor degenen aan wie onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend of die op reguliere wijze hun verzekeringspositie krachtens de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen hebben verworven en die op 1 juli 1998 rechtmatig hier te lande verbleven in de zin van artikel 1b, onder 3, van de Vw. Voor hen geldt dat er onvoldoende grond is om de verworven rechtspositie op andere wijze te beŽindigen dan als voorzien in laatstgenoemde bepaling, te weten eerst wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het vůůr 1 juli 1998 ingediende verzoek om toelating.

Gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval stelt de Raad vast dat appellant niet behoort tot de hiervoor omschreven groep personen. Appellant heeft weliswaar kennelijk tot 1 juli 1998 kinderbijslag ontvangen voor zijn kinderen, hetgeen betekent dat hij een verzekeringspositie krachtens de AKW had opgebouwd, maar hij verbleef op 1 juli 1998 in ieder geval niet rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. De Raad is derhalve van oordeel dat de weigering van kinderbijslag aan appellant vanaf het derde kwartaal van 1998, op de grond dat appellant niet langer verzekerd was ingevolge die wet, niet als strijdig met artikel 26 van het IVBPR kan worden bestempeld. Uit het hiervoor overwogene vloeit reeds voort dat het enkele gegeven dat appellant op 23 september 1998 een verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf heeft ingediend niet tot een ander oordeel kan leiden.

De Raad merkt ten slotte nog op dat toetsing aan de overige door appellant in beroep en in hoger beroep genoemde verdragsbepalingen tot hetzelfde oordeel leidt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x