Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AE9735
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-10-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank houdt het ervoor dat betrokkene op de enveloppe met daarin het beroepschrift het adres van de SVB heeft vermeld in plaats van het adres van de rechtbank.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3720 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 26 juli 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellante over het vierde kwartaal van 1994 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen, omdat zij niet verzekerd is ingevolge die wet.

Bij beslissing op bezwaar van 27 januari 2000, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 april 2001 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.

Vervolgens heeft de rechtbank Amsterdam bij brief van 4 september 2001 enige vragen van de Raad beantwoord.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 augustus 2002, waar partijen - gedaagde met kennisgeving - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante heeft bij faxbericht van 21 mei 2001 hoger beroep ingesteld tegen de op 23 april 2001 verzonden uitspraak van de rechtbank. Dit beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 21 mei 2001 en vervolgens - na vertaling - bij brief van 5 juli 2001 aan de Raad gezonden, waar het op 6 juli 2001 is ontvangen.

De Raad stelt vast dat het beroepschrift, gelet op de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke artikelen in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, niet tijdig bij de Raad is ingediend. Het beroepschrift is wel tijdig bij een onbevoegd orgaan, zijnde de rechtbank Amsterdam, ingediend. De Raad is van oordeel dat nu de rechtbank de uitspraak van 18 april 2001, evenals de in die uitspraak opgenomen rechtsmiddelen clausule, slechts in de Nederlandse taal aan appellante heeft toegezonden welke taal appellante blijkens de gedingstukken niet beheerst, een genoegzame grondslag aanwezig is voor het oordeel dat de onbevoegdheid van de rechtbank voor appellante onduidelijk kon zijn. Op grond van artikel 6:15, derde lid, onder c, van de Awb, zoals dit artikel luidde ten tijde van het instellen van het hoger beroep, is derhalve het tijdstip van indiening van het hoger beroepschrift bij de rechtbank bepalend voor de vraag of het hoger beroepschrift tijdig is ingediend. Dit betekent dat het door appellante bij de rechtbank ingediende hoger beroepschrift als tijdig ingediend kan worden beschouwd.

De rechtbank heeft het door appellante bij brief van 6 maart 2000 ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van 27 januari 2000, welke brief op 14 maart 2000 bij het kantoor Leiden van gedaagde is ontvangen, vervolgens is doorgezonden aan de rechtbank en aldaar is ontvangen op 20 maart 2000, niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend. Daartoe heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen, waarbij appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerder:
"Eiseres heeft omtrent de termijnoverschrijding aangevoerd dat zij het beroepschrift heeft geadresseerd aan de rechtbank, zodat haar niet valt te verwijten dat het beroepschrift bij verweerder is bezorgd. De rechtbank acht het echter slecht denkbaar het beroepschrift zich heeft bevonden in een enveloppe geadresseerd aan de rechtbank, maar dat het beroepschrift desondanks bij verweerder zou zijn bezorgd. Nu eiseres ook niet heeft aangetoond dat zij de enveloppe van een juiste adressering heeft voorzien houdt de rechtbank het ervoor dat eiseres op enveloppe het adres van verweerder heeft vermeld. De daaruit voortvloeiende vertraging komt dan ook voor het risico van eiseres. Voorts is hier geen sprake van een situatie waarin als gevolg van de te trage afhandeling door verweerder, het risico van een onjuiste adressering redelijkerwijs niet meer voor rekening van eiseres mag komen. Gezien het voorgaande is er dan ook geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding."

De Raad kan zich geheel met dit oordeel verenigen en maakt dat tot het zijne. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd merkt de Raad nog op dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank niet het gevolg is van vertragingen bij de post. Het beroepschrift is binnen de beroepstermijn verzonden op of omstreeks 6 maart 2000 en vervolgens met inachtneming van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb nog tijdig op 14 maart 2000 ontvangen door gedaagde, zijnde een onbevoegd orgaan voor het instellen van beroep, en vervolgens doorgezonden naar het bevoegde orgaan, zijnde de rechtbank, alwaar het niet tijdig is ontvangen. De Raad voegt hier nog aan toe dat de indiening van het beroep bij het onbevoegde orgaan, gelet op artikel 6:15, derde lid, van de Awb zoals dat artikel toentertijd luidde, in dit geval niet bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, nu gedaagde een juiste toepassing heeft gegeven in het bestreden besluit aan artikel 3:45 van de Awb en appellante ook in de Turkse taal is ge´nformeerd over de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de rechtbank Amsterdam. Voorts is ook de Raad van oordeel dat op grond van de door appellante genoemde omstandigheden niet gesproken kan worden van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en prof.mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x