Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AF2022
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-10-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-verschoonbare niet-tijdige betaling van het griffierecht. Door betrokkene gestelde betalingsonmacht. In de acht weken verleend uitstel van betaling van het griffierecht heeft betrokkene de gevraagde verklaring omtrent inkomen en vermogen alsmede een eventuele beslissing op een aanvraag voor bijzondere bijstand niet overgelegd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/5365 AKW




U I T S P R A A K




Met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. INLEIDING


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 24 april 2001 tussen partijen gegeven uitspraak.




II. MOTIVERING


In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van een beroepschrift een griffierecht wordt geheven.

Bij schrijven van 20 december 2001 is appellante erop gewezen dat zij een griffierecht van f 170,00 (Ä 77,14) is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.

Bij aangetekende brief van 3 januari 2002 is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is haar meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Appellante heeft de Raad bij schrijven van 9 januari 2002 gewezen op het feit dat zij geen inkomsten heeft en, gelet op haar financiŽle onmacht om het verschuldigde griffierecht te voldoen, het heffen van griffierecht haar recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) belemmert.

Bij aangetekend schrijven van 1 februari 2002 is aan appellante vanaf die dag acht weken uitstel verleend voor het voldoen van het griffierecht. Tevens is aan appellante verzocht om de in haar brief van 9 januari 2002 vermelde verklaring omtrent inkomen en onvermogen aan de Raad te doen toekomen alsmede een eventuele beslissing op een verzoek om bijzondere bijstand.

De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald en dat ook de gevraagde verklaring omtrent inkomen en vermogen alsmede een eventuele beslissing op een verzoek om bijzondere bijstand door appellante niet zijn overgelegd. Bij schrijven van 29 mei 2002 heeft appellante de Raad enkel een kopie van de eerste pagina van een op 8 februari 2002 gedateerde aanvraag voor bijzondere bijstand overgelegd.

Ten aanzien van het beroep van appellante op artikel 6 EVRM is de Raad van oordeel dat dit beroep faalt. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gaat het bij het uit deze verdragsbepaling voortvloeiende recht op toegang tot de rechter niet om een absoluut recht, doch komt aan de verdragsstaten een zekere beleidsruimte toe tot het stellen van regels die voor dit recht zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt getroffen, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Nu niet is gebleken dat appellante om andere redenen dan de door haar gestelde financiŽle onmacht niet is staat was het griffierecht tijdig te voldoen en zij op een eventueel verzuim dienaangaande tijdig opmerkzaam is gemaakt, is van een aantasting van het recht op toegang tot de rechter geen sprake. De Raad acht het doel van het stellen van een termijn voor het betalen van het griffierecht, namelijk het scheppen van duidelijkheid over de betaling en het voorkomen van onnodige vertraging in de procedure en onzekerheid voor belanghebbenden over de uitkomst van de procedure, rechtmatig. Ook aan de evenredigheidseis is voldaan doordat appellante, nadat het hier aan de orde zijnde verzuim was geconstateerd, na een eerder reeds gegunde termijn, uiteindelijk nog een termijn van acht weken is gegund om het verzuim te herstellen.

Nu op grond van de beschikbare gegevens - waaruit de door appellante gestelde financiŽle onmacht op zichzelf niet blijkt - redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2002.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.




Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA, Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x