Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AF2210
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering en terugvordering van de kinderbijslag op de grond dat betrokkene niet heeft aangetoond haar zoon gedurende de kwartalen in geding in belangrijke mate te hebben onderhouden. Boeteoplegging omdat betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting de wijziging in de gezinssituatie tijdig te melden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/646 AKW en 01/4174 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 3 november 1999 heeft gedaagde aan appellante over het eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1999 (alsnog) aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontzegd voor haar zoon [naam zoon].

Bij beslissing op bezwaar van 14 maart 2000, hierna: besluit 1, is het bezwaar tegen het besluit van 3 november 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 13 december 2000 het tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak. Voorts heeft de rechtbank gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het griffierecht.

Namens appellante is mr. I.A.M. Bomans, advocaat te Rotterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft gedaagde tevens een nieuwe beslissing op bezwaar van 19 januari 2001, hierna: besluit 2, in het geding gebracht. De Raad heeft besluit 2 op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.
Bij brief van 7 maart 2002 heeft de gemachtigde van appellante medegedeeld dat zij zich terugtrekt en dat appellante de procedure zelf zal voortzetten.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 oktober 2002, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft tot en met het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag aan appellante toegekend voor haar zoon [naam zoon], geboren op 13 juni 1987. Daarbij is gedaagde er aanvankelijk vanuit gegaan dat [naam zoon] behoorde tot het huishouden van appellante in [woonplaats]. Nadat in 1995 duidelijk was geworden dat [naam zoon] bij [naam oma] - zijn oma - woonde is gedaagde, op grond van door appellante verstrekte gegevens, ervan uitgegaan dat appellante [naam zoon] in belangrijke mate onderhield. Door appellante is toen medegedeeld dat [naam zoon] sedert september 1995 bij oma woonde en dat zij een bijdrage betaalde in het levensonderhoud van [naam zoon]. Ten aanzien van de hoogte van die bijdrage heeft appellante verschillende bedragen opgegeven variŽrend van f 450,- per maand en f 150,- per week tot f 250,- per week.

Nadat gedaagde in oktober 1998 van [naam oma] had vernomen dat appellante voor een bedrag van ongeveer f 500,- per kwartaal bijdraagt in het levensonderhoud van [naam zoon] heeft gedaagde een onderzoek laten verrichten naar de werkelijke bijdragen van appellante ten behoeve van [naam zoon]. Tijdens dat onderzoek heeft appellante medegedeeld dat [naam zoon] reeds sedert 1992 uitwonend is bij zijn oma en dat alle kosten voor [naam zoon] door haarzelf worden betaald. Verder heeft appellante aangegeven dat deze kosten ongeveer f 500,- per kwartaal bedragen en dat zij van haar bijstandsuitkering niet meer kan betalen.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 november 1999 heeft gedaagde aan appellante - alsnog - het recht op kinderbijslag ontzegd over het eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1999. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellante niet heeft aangetoond [naam zoon] gedurende die kwartalen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Tevens heeft gedaagde aan appellante medegedeeld het voornemen te hebben de teveel betaalde kinderbijslag terug te vorderen en een boete op te leggen omdat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting de wijziging in de gezinssituatie tijdig aan gedaagde te melden.

De rechtbank heeft overwogen dat appellante niet op eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond [naam zoon] gedurende de in geschil zijnde kwartalen te hebben onderhouden. Desondanks heeft de rechtbank besluit 1 vernietigd, omdat gedaagde in strijd met de artikelen 3:46, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb niet kenbaar heeft beoordeeld of wellicht sprake is van dringende redenen als, bedoeld in artikel 14a, tweede lid, van de AKW, op grond waarvan ten aanzien van een deel van de in geschil zijnde kwartalen af behoort te worden gezien van intrekking of herziening.

Bij besluit 2 heeft gedaagde ten aanzien van de toepassing van artikel 14a van de AKW overwogen dat nu appellante bij herhaling niet de voor de uitvoering van de AKW noodzakelijke juiste informatie heeft verstrekt er geen dringende redenen zijn om van gehele of gedeeltelijke intrekking of herziening van kinderbijslag af te zien.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde haar ten onrechte met een terugwerkende kracht van meer dan drie jaar confronteert met een bewijsverplichting ten aanzien van het geleverde onderhoud. Appellante meent dat deze handelwijze van gedaagde in strijd is met het vertrouwensbeginsel nu gedaagde door kinderbijslag toe te kennen de indruk heeft gewekt dat de aanspraak op kinderbijslag correct was.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt vast dat gedaagde bij besluit 2, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij is aangegeven op welke gronden de weigering van kinderbijslag en de intrekking van de kinderbijslag met terugwerkende kracht is gebaseerd. Dit betekent dat gedaagde besluit 1 niet langer handhaaft, zodat dit besluit niet in stand kan blijven, en dat de grieven inzake dat besluit bij de toetsing van besluit 2, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Voorts stelt de Raad vast dat niet is gebleken van enig belang voor appellante bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Voorts stelt de Raad voorop dat besluit 2 enerzijds een weigering van kinderbijslag inhoudt ingaande het vierde kwartaal van 1998 en anderzijds een intrekking van de reeds toegekende kinderbijslag over het eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1998. Ten aanzien van deze beide onderdelen van besluit 2 ziet de Raad zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of gedaagde terecht heeft besloten dat appellante over de in geschil zijnde kwartalen geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam zoon]. Deze vraag beantwoordt de Raad evenals de rechtbank bevestigend. Ingevolge artikel 7 van de AKW bestaat recht op (enkelvoudige) kinderbijslag voor een uitwonend kind, jonger dan 16 jaar, dat door de verzekerde in belangrijke mate wordt onderhouden. Aan laatstgenoemde voorwaarde wordt voldaan wanneer de verzekerde per kwartaal ten minste een bijdrage levert ter hoogte van een nader bepaald bedrag, welk bedrag in het eerste kwartaal van 1996 f 728,- bedroeg en nadien enige keren is gewijzigd tot f 756,- vanaf het vierde kwartaal van 1998. De door appellante tijdens het buitendienst onderzoek van 23 november 1998 genoemde bijdrage per kwartaal voor [naam zoon] van f 500,- is derhalve onvoldoende om aanspraak te kunnen maken op kinderbijslag. Voorts is door appellante niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, ook niet ten aanzien van de na dit onderzoek gelegen kwartalen, dat zij hogere bedragen heeft betaald ten behoeve van het levensonderhoud van [naam zoon]. Aan het feit dat appellante op de onderhoudsverklaringen vanaf 1995 aanzienlijk hogere bedragen - tot zelfs f 3250,- per kwartaal - heeft vermeld vermag de Raad geen doorslaggevende betekenis toe te kennen, nu appellante tijdens het buitendienstonderzoek gemotiveerd heeft aangegeven dat zij van haar uitkering niet meer kan bijdragen dan ongeveer f 500,- per kwartaal. Daarbij acht de Raad van belang dat laatstgenoemd bedrag overeenstemt met het bedrag dat appellante volgens de verzorgster van [naam zoon] bijdraagt in zijn levensonderhoud. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde bij besluit 2 vanaf het vierde kwartaal van 1998 terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellante toe te kennen.

Ten aanzien van het tijdvak vanaf het eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1998 is gedaagde bij besluit 2 ten nadele van appellante teruggekomen van de toekenning van kinderbijslag. Gedaagde heeft dit onderdeel van zijn besluit gebaseerd op artikel 14a, eerste lid, van de AKW, waarin is bepaald dat gedaagde gehouden is een besluit tot toekenning van kinderbijslag in te trekken of te herzien, indien kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Voorts is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat gedaagde kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening of intrekking als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

De Raad merkt ten aanzien van de toepassing van artikel 14a van de AKW allereerst op dat dit artikel bij Wet van 25 april 1996 (Stb. 248) is ingevoerd en ingaande 1 augustus 1996 in werking is getreden. Nu bij deze wet niet is voorzien in een eerdere ingangsdatum is de Raad, anders dan gedaagde, van oordeel dat artikel 14a van de AKW geen betrekking kan hebben op het recht op kinderbijslag over voor 1 augustus 1996 gelegen kwartalen, dus voor dit geding in ieder geval niet op het eerste en tweede kwartaal van 1996. Ten aanzien van het derde kwartaal van 1996 is de Raad van oordeel dat artikel 14a van de AKW wel van toepassing is op de intrekking van het recht op kinderbijslag over dat kwartaal, nu dit kwartaal grotendeels na 1 augustus 1996 is gelegen en de kinderbijslag eerst na afloop van dat kwartaal aan appellante is betaald. Besluit 2 moet derhalve, voor zover betrekking hebbend op het eerste en tweede kwartaal van 1996, aangemerkt worden als een besluit waarbij gedaagde ten nadele van appellante is teruggekomen van de toekenning van kinderbijslag waarop artikel 14a van de AKW niet van toepassing is.

Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde een beleid heeft ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, welk beleid evenzeer geldt voor beslissingen ingevolge artikel 14a van de AKW, waarbij rekening wordt gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat het pensioen of de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad is van oordeel dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

De Raad is verder met gedaagde van oordeel dat appellante in ieder geval vanaf het eerste kwartaal van 1996 niet al haar verplichtingen jegens gedaagde is nagekomen door de wijziging in haar gezinssituatie in 1992, toen [naam zoon] bij zijn oma ging wonen, niet aan gedaagde te melden en door vanaf september 1995 aan gedaagde opgave te doen van bijdragen in het levensonderhoud van [naam zoon] welke blijkens latere verklaringen van haar en van de verzorgster van [naam zoon] niet overeenstemden met de werkelijk geleverde bijdragen. Verder is de Raad, anders dan appellante, van oordeel dat bij gedaagde niet eerder dan eind 1998 redelijke twijfel kon ontstaan over de vraag of appellante [naam zoon] wel in belangrijke mate onderhield. Door de verzorgster was weliswaar in 1996 verklaard dat de bijdrage van appellante ongeveer f 700,- per kwartaal bedroeg, doch nu dit bedrag de toen geldende minimale onderhoudsbijdrage benaderde bestond er voor gedaagde op dat moment geen noodzaak nader onderzoek te verrichten naar de hoogte van de door appellante gestelde bijdrage.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde, met inachtneming van zijn hiervoor weergegeven beleid ten aanzien van de intrekking van uitkeringen met terugwerkende kracht, ook terecht heeft besloten de aan appellante toegekende kinderbijslag over het eerste kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1998 in te trekken. Dit betekent dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x