Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AF2972
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering en terugvordering van tweevoudige kinderbijslag op de grond dat betrokkene niet op eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond zijn zoon grotendeels te hebben onderhouden. Schending van het zorgvuldighheidsbeginsel. Gegrondverklaring van het beroep in eerste aanleg tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/2693 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 31 juli 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat er met ingang van het eerste kwartaal van 1993 geen recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn uitwonende zoon [naam kind], geboren [in] 1987, nu appellant niet voldaan heeft aan de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage. In dit besluit heeft gedaagde tevens beslist dat er over het eerste kwartaal van 1993 tot en met het eerste kwartaal van 1998 onverschuldigd kinderbijslag is betaald en dat de onverschuldigd betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal van 1993 tot en met eerste kwartaal van 1998 ter hoogte van f. 24.782,00 (€ 11.245,63) van appellant wordt teruggevorderd.

Bij beslissing op bezwaar van 10 november 2000 zijn appellants bezwaren tegen het besluit van 31 juli 1998 gedeeltelijk gegrond verklaard en is nader beslist dat appellant over het eerste kwartaal van 1993 tot en met het vierde kwartaal van 1996 recht heeft op enkelvoudige, en over het eerste kwartaal van 1997 tot en met het eerste kwartaal van 1998 op tweevoudige kinderbijslag ten behoeve van [naam kind]. De terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag wordt beperkt tot een bedrag ter hoogte van f. 9.228,00 (€ 4.187,50).

Bij nadere beslissing op bezwaar van 24 november 2000, het thans bestreden besluit, heeft gedaagde ten aanzien van de bezwaren tegen het besluit van 31 juli 1998 besloten deze bezwaren gedeeltelijk gegrond te verklaren in zoverre dat er over het eerste kwartaal van 1993 tot en met het vierde kwartaal van 1993 en over het eerste kwartaal van 1997 tot en met eerste kwartaal van 1998 recht bestaat op tweevoudige, en over de periode van het eerste kwartaal van 1994 tot en met het vierde kwartaal van 1996 op enkelvoudige kinderbijslag ten behoeve van [naam kind]. Gedaagde heeft tevens beslist dat nu appellant de op hem rustende inlichtingenplicht heeft overtreden, er door toedoen van appellant onverschuldigd kinderbijslag is betaald ter hoogte van f. 8.056,00 (€ 3.655,67), welk bedrag van appellant wordt teruggevorderd.

De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 27 april 2001 appellants beroep tegen de beslissing op bezwaar van 24 november 2000 ongegrond verklaard.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift van 7 mei 2001, met bijlagen, aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van de behandeling van appellants verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting van 7 juni 2002 heeft gedaagde desgevraagd bij brief van 27 juni 2002, met bijlagen, nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 oktober 2002, waar appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde - ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. A.N. Popken, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Uit de gedingstukken, de aangevallen uitspraak en het verhandelde ter zitting leidt de Raad af dat appellants zoon [naam kind] vanwege een bij hem bestaande handicap uitwonend is en dat de instelling waar [naam kind] verblijft bijdraagt in de kosten van [naam kind] onderhoud. Om voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen dient appellant op voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze aan te tonen dat hij [naam kind] grotendeels onderhoudt. In dit verband heeft appellant, met betrekking tot de hier in geding zijnde jaren 1994, 1995 en 1996, gedaagde door middel van een daartoe bestemd formulier jaarlijks een geschatte opgave verstrekt van ten behoeve van [naam kind] te maken kosten. Het betreft o.a. een opgave van kosten die appellant maakt als [naam kind] thuis verblijft, als [naam kind] in de instelling wordt opgezocht en een post overige kosten. Op basis van deze schatting van kosten heeft gedaagde aan appellant steeds tweevoudige kinderbijslag verstrekt. Slechts de schatting van kosten over 1994 is door een buitendienstmedewerker van gedaagde met appellant besproken. Een bij gedaagde in maart 1998 binnengekomen (anonieme) melding dat [naam kind] zelden in de instelling werd bezocht en hij nooit werd opgehaald, heeft tot het primaire besluit van 31 juli 1998 geleid. Vervolgens heeft appellant in het kader van de bezwaarprocedure een nieuwe, lagere, opgave verstrekt met betrekking tot gemaakte kosten van bezoeken aan [naam kind] en van [naam kind] verblijf thuis over de jaren 1993 tot en met 1998. Appellant heeft daarna een hernieuwde, veel hogere, opgave van de overige kosten ten behoeve van [naam kind], gemaakt over de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 maart 1999, verstrekt. Gedaagde heeft appellant in het bestreden besluit gevolgd in de gewijzigde opgave van de kosten gemaakt in verband met bezoeken van en aan [naam kind]. Ten aanzien van de overige kosten heeft gedaagde appellant gehouden aan zijn eerdere, lagere, geschatte opgave.

De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit van 24 november 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde ten aanzien van de overige kosten over de jaren 1994, 1995 en 1996 terecht is uitgegaan van de eerste door appellant gedane schatting van deze kosten in plaats van de latere - veel hogere - opgaven. De rechtbank heeft hierbij o.a. in aanmerking genomen dat zowel de eerste als de latere opgaven niet door bewijsstukken worden onderbouwd en dat de beoordeling van zowel de eerste als de latere opgaven zeer moeilijk en arbitrair zal blijven. Bovendien had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen dat appellant zijn jaarlijkse opgave voor wat betreft de overige kosten had aangepast aan de door hem gestelde ervaringsgegevens van het voorgaande jaar. De terugvordering van zowel voor als na 1 augustus 1996 onverschuldigd betaalde uitkering kan naar het oordeel van de rechtbank in stand blijven.

In zijn hoger beroepschrift stelt appellant zich ten aanzien van de jaren 1994, 1995 en 1996 op het standpunt dat zijn eerste opgave steeds een voorlopige, en geen definitieve, opgave is geweest van kosten die hij dacht in het desbetreffende jaar te gaan maken. Deze voorlopige opgaven heeft appellant later gecorrigeerd, waarbij hij heeft aangeboden deze te bewijzen door middel van het overleggen van bonnen en foto΄s.

Gedaagde stelt zich ten aanzien van appellants hernieuwde opgaven van de overige kosten op het standpunt dat niet meer te controleren is welke kosten daadwerkelijk ten behoeve van [naam kind] zijn gemaakt en of deze kosten ook als onderhoudsbijdrage in de zin van de AKW kunnen worden aangemerkt.

De Raad overweegt als volgt.

Ten eerste stelt de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door appellant ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar en op appellants beroep tegen het, door gedaagde niet langer gehandhaafde, besluit op bezwaar van 10 november 2000. In het licht van de vereiste proceseconomie zal de Raad, nu appellant daardoor niet in zijn belangen wordt geschaad, de zaak met betrekking tot deze geschilpunten zelf afdoen. Tussen partijen is niet in geschil dat terzake van het door appellant gemaakte bezwaar door gedaagde, zonder dat daarvoor gronden zijn aangevoerd, de beslistermijn is overschreden. Voorts staat vast dat gedaagde het besluit van 10 november 2000 niet handhaaft en dat appellant een belang heeft bij een oordeel over dit besluit, gelet op zijn verzoek tot vergoeding van schade. Nu de rechtbank het bij haar ingestelde beroep op deze punten ten onrechte niet gegrond heeft verklaard, zal de Raad de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het inleidend beroep op deze punten gegrond verklaren en het besluit van 10 november 2000 vernietigen.

Voorts is tussen partijen in geschil of appellant over de jaren 1994, 1995 en 1996 recht heeft op tweevoudige kinderbijslag ten behoeve van zijn zoon [naam kind]. Er bestaat recht op tweevoudige kinderbijslag indien appellant op voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze aantoont zijn zoon [naam kind] grotendeels te hebben onderhouden. Concreet betekent dit dat appellant voor de jaren 1994 en 1995 f. 1.456,-, en voor het jaar 1996 f. 1.479,- per kwartaal dient bij te dragen aan kosten van onderhoud ten behoeve van [naam kind]. Uit de berekening zoals opgenomen in het bestreden besluit van 24 november 2000 en zoals door gedaagde gecorrigeerd in het verweerschrift van 3 april 2001, inhoudende dat appellant in het jaar 1994 f. 1.213,86, in het jaar 1995 f. 1.325,60 en in het jaar 1996 f. 1.372,31 gemiddeld per kwartaal heeft bijgedragen in de kosten van onderhoud van [naam kind], leidt de Raad af dat naar het oordeel van gedaagde voor een zeer groot deel aan de onderhoudsplicht is voldaan.

De Raad stelt vast dat gedaagde met het thans bestreden besluit ten nadele van appellant teruggekomen is van de toekenning van tweevoudige kinderbijslag ten behoeve van appellants zoon [naam kind] over de jaren 1994, 1995 en 1996. Gedaagde heeft, blijkens de verklaring van zijn gemachtigde ter zitting van de Raad, deze herziening van het recht op uitkering van kinderbijslag in zijn geheel gebaseerd op artikel 14a van de AKW. Nu dit artikel eerst met ingang van 1 augustus 1996 in de AKW is opgenomen en uit de tekst van het artikel niet blijkt dat er terugwerkende kracht aan dient te worden gegeven, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, in ieder geval voor wat betreft de intrekking van het recht op tweevoudige kinderbijslag over de periode van het eerste kwartaal van 1994 tot en met het tweede kwartaal van 1996, op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Uit vaste jurisprudentie van de Raad ten aanzien van het intrekken van een reeds vastgesteld recht op uitkering, blijkt dat een zodanige intrekking in het algemeen in strijd wordt geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter uitzonderingen denkbaar waarin van strijd met dat beginsel geen sprake is. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg was van een onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl een andere, minder gunstige, beslissing zou zijn genomen indien de juiste feiten bekend zouden zijn geweest. De Raad stelt vast dat gedaagde het recht op toekenning van tweevoudige kinderbijslag over de jaren 1994, 1995 en 1996 gebaseerd heeft op een door appellant gedane schatting van te maken kosten ten behoeve van [naam kind]. Op geen enkele wijze heeft gedaagde na afloop van de desbetreffende jaren gecontroleerd of appellant de bij wijze van schatting opgegeven kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde door deze handelwijze het risico over zich afgeroepen dat op een later moment niet exact meer is vast te stellen welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. In het geval gedaagde aanleiding ziet aan een (deel) van de schatting van de te maken kosten te twijfelen en er zijnerzijds vervolgens voor dat deel niet meer uitgegaan wordt van deze schatting maar van de daadwerkelijk gemaakte kosten, ligt het naar het oordeel van de Raad voor de hand dat ook ten aanzien van de overige geschatte kosten wordt bekeken in hoeverre de daadwerkelijk gemaakte kosten daarvan afwijken. Naar het oordeel van de Raad ligt het, nu het gaat om het ten nadele van appellant terugkomen van een toekenning van het recht op kinderbijslag, op de weg van gedaagde om hiernaar onderzoek te doen, waarbij naar het oordeel van de Raad gedaagde de vraag dient te beantwoorden of het niet aannemelijk is te achten dat appellant, gelet ook op het vrij geringe verschil tussen het bedrag van de minimaal voor tweevoudige kinderbijslag vereiste onderhoudsbijdrage en de bijdragen van appellant waar gedaagde van uit is gegaan, voldaan heeft aan de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage om voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen. De Raad stelt vast dat gedaagde, ondanks dat appellant diverse keren bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden, dit onderzoek niet heeft verricht. De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en wegens strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep ook in zoverre doel treft en dat ook het besluit van 24 november 2000, alsmede de aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking komen.

Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade aan de kant van appellant bestaande voorshands uit de wettelijke rente over de opengevallen termijnen van uitkering. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat gedaagde over appellants aanspraak een nader besluit dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht in verband met het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor in beroep verleende rechtsbijstand. Ten aanzien van appellants verzoek om vergoeding van in hoger beroep gemaakte reiskosten op basis van het vervoer per auto ter hoogte van € 93,52, oordeelt de Raad dat gelet op artikel 1, onder c, in verbinding met artikel 2, eerste lid onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, reiskosten in beginsel worden vergoed op basis van de kosten van het openbaar vervoer, laagste klasse. Nu niet gebleken is dat appellant geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, worden deze kosten begroot op € 30,18.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit gegrond;
Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 10 en 24 november 2000 gegrond en vernietigt deze besluiten;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten in beroep voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 30,18 aan reiskosten;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x