Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AF3114
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag over de periode in geding op de grond dat betrokkene niet heeft kunnen aantonen aan de minimale onderhoudsbijdrage voor zijn vijf in Marokko verblijvende kinderen te hebben voldaan. De betalingen via cheques, vergezeld van een verklaring van de betreffende bankinstelling waaruit blijkt dat de cheques zijn gend door de verzorger van de kinderen, voldoen in beginsel aan de eisen van eenvoudige controleerbaarheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/3545 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 18 juli 1997 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor de kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5], respectievelijk geboren [in] 1980, [in] 1982, [in] 1985, [in] 1988 en [in] 1991, over het vierde kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1997, nu hij niet heeft kunnen aantonen aan de minimale onderhoudsbijdrage te hebben voldaan.

Bij beslissing op bezwaar van 21 januari 1998, het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 1997 ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 30 mei 2000 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. B.W.M. Toemen, advocaat te Boxtel, op bij aanvullend beroepschrift van 13 september 2000 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 oktober 2002, waar appellant en zijn gemachtigde - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant heeft op 15 september 1996 bij gedaagde kinderbijslag aangevraagd voor de kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5], die in Marokko verblijven bij appellants ouders.

Bij primair besluit van 18 juli 1997 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van de beslissing hem voor zijn vijf kinderen over de periode van het vierde kwartaal 1995 tot en met het tweede kwartaal 1997 geen kinderbijslag te verstrekken, omdat hij niet heeft kunnen aantonen hen in belangrijke mate te hebben onderhouden.

Namens appellant is hiertegen bezwaar gemaakt. Appellant heeft gesteld de kinderen wel degelijk in voldoende mate te hebben onderhouden, ter adstructie waarvan hij een aantal bewijzen van betaling per cheque van de Banque Populaire te Nador alsmede een verklaring van die bank waaruit blijkt dat die cheques zijn gend door de verzorger van de kinderen en bewijzen van storting van internationale postwissels heeft overgelegd. Bij het bestreden besluit van 21 januari 1998 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid, heeft de rechtbank - onder meer - het volgende overwogen:
"De rechtbank is, gelet op de zich in het dossier bevindende stukken, van oordeel dat door eiser onvoldoende is aangetoond, zoals door de jurisprudentie vereist, dat door hem daadwerkelijk onderhoudsbijdragen zijn betaald en dat de desbetreffende voor de kinderen bestemde bedragen zijn opgenomen door diegene die de kinderen verzorgt.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat eiser geen overschrijvingen heeft verricht naar een bankrekening van de verzorger van het kind of stortingen heeft gedaan per postwissel aan die verzorger doch dat de verzorger middels cheques bedragen heeft opgenomen van de rekening van eiser die hij aanhoudt bij de Banque Populaire.
In het onderhavige geval kan het, mede gelet op de hoogte van de bedragen van in geding zijnde cheques gerelateerd aan eisers maandinkomen, niet onredelijk worden geacht dat verweerder inzage vraagt in de desbetreffende bankafschriften en eiser zowel naast het aantonen van het opnemen van het geld door de verzorger, tevens dient aan te tonen dat het geld voor het onderhoud daadwerkelijk telkenmale door hem is overgemaakt.

Het overleggen van de door verweerder verlangde originele dagafschriften behelst naar het oordeel van de rechtbank niet een voor eiser onredelijke zware bewijslast, doch is veeleer te beschouwen als een uitvloeisel van de algemene regel, dat degene die stelt een aanspraak te hebben daartoe het bewijs moet aanvoeren. De rechtbank gaat voorbij aan het schrijven van eisers gemachtigde van 15 januari 1998 dat eiser niet meer over deze bankafschriften beschikt, nu eiser bij schrijven van 4 mei 1999 deze bankafschriften (deels) heeft ingezonden en ter zitting heeft aangegeven dat hij over deze bankafschriften beschikt doch verweerder daarin geen inzage wil geven.

Nu voldoende verifieerbare gegevens ontbreken met betrekking tot de mate waarin bedragen zijn gestort respectievelijk opgenomen, voldoet een en ander niet aan het criterium, dat onderhoudsbijdragen aan de verzorger van de kinderen op betrekkelijk eenvoudige wijze aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt moeten kunnen worden en kan niet, zonder dat is vastgesteld dat eiser daadwerkelijk betalingen voor het onderhoud heeft gedaan en deze zijn opgenomen door de verzorger van de kinderen, toch tot de conclusie worden gekomen dat aan de onderhoudseis is voldaan."

In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat hij voldoende verifieerbare gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt, dat hij in belangrijke mate in het onderhoud van zijn kinderen heeft voorzien.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst stelt de Raad vast dat de (toenmalige) gemachtigde van appellant ter zitting van de rechtbank van 10 maart 1999 heeft erkend en ter zitting van de rechtbank van 11 mei 2000 heeft bevestigd dat de betalingen, die appellant in het vierde kwartaal 1995 en het eerste tot en met het derde kwartaal 1996 heeft verricht, te weinig zijn om voor kinderbijslag in aanmerking te komen. Het geding is derhalve beperkt tot de weigering van kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal 1996 tot en met het tweede kwartaal 1997.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van internationale postwissels of bankoverschrijvingen ten name van de persoon die de kinderen verzorgt of ten name van de kinderen zelf - aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij voor zijn niet in Nederland wonende kinderen gedurende de in geding zijnde kwartalen heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage.

Blijkens het bestreden besluit heeft gedaagde de weigering van kinderbijslag over de in geding zijnde kwartalen gebaseerd op de volgende motivering:
"Tussen 25 november 1996 en 4 maart 1997 zou u in totaliteit omgerekend zo'n f 20.000,- aan cheque ter verzilvering aan uw vader hebben verstrekt. Zeker gelet op uw maandinkomen staat de SVB uiterst kritisch tegenover dit totaalbedrag. Daarnaast heeft u tijdens de hoorzitting over de cheque van DH 40.000 verklaard dat dit DH 4.000 moest zijn, even later verklaarde u echter weer dat de DH 40.000 juist was.
Om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van zogenaamd "rondpompen" van gelden is er tijdens de hoorzitting met u afgesproken, dat u de SVB in het bezit zou stellen van alle beschikbare dagafschriften van uw bank over deze periode. Voor de SVB is het van belang te weten op welke wijze uw banksaldo telkens wordt aangevuld.

U heeft ons echter geen enkel dagafschrift doen toekomen. Nu u de SVB niet voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de door u uitgeschreven cheques tussen 25 november 1996 en 4 maart 1997 stelt de SVB zich op het standpunt dat deze niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Over de periode 4e kwartaal 1996 tot en met 2e kwartaal 1997 heeft u derhalve niet aan de belangrijke mate eis voldaan voor genoemde kinderen."

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde voorts twijfels geuit met betrekking tot de authenticiteit en betrouwbaarheid van een aantal van de door appellant overgelegde betalingsbewijzen. Nu deze argumenten door gedaagde in een zeer laat stadium naar voren zijn gebracht en appellant niet in de gelegenheid is geweest daarop te reageren, zal de Raad ze bij zijn oordeelsvorming buiten beschouwing laten wegens strijd met de goede procesorde.

Uit de bewoordingen van het bestreden besluit, als hierboven gedeeltelijk geciteerd, maakt de Raad op dat gedaagde op basis van de door appellant overgelegde betalingsbewijzen heeft aangenomen dat appellant in de periode van het vierde kwartaal 1996 tot en met het tweede kwartaal 1997 aan de verzorger van zijn kinderen bedragen heeft overgemaakt die toereikend zijn om te voldoen aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage. Gedaagde heeft echter vraagtekens geplaatst bij de herkomst van de overgemaakte bedragen en heeft, om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van het zogenaamd "rondpompen" van gelden, van appellant verlangd dat hij alle beschikbare dagafschriften van zijn bank overlegt, zodat gedaagde de banksaldi zou kunnen controleren. Omdat appellant gedaagde geen enkel dagafschrift heeft doen toekomen, heeft gedaagde de door appellant tussen 25 november 1996 en 4 maart 1997 uitgeschreven cheques niet bij de beoordeling betrokken.

De Raad stelt voorop dat betalingen via cheques, vergezeld van een verklaring van de betreffende bankinstelling waaruit blijkt dat de cheques zijn gend door de verzorger van de kinderen, in beginsel voldoen aan de hiervoor weergegeven eisen van eenvoudige controleerbaarheid. Bij dergelijke betalingen worden door gedaagde in het algemeen geen aanvullende voorwaarden ten aanzien van het aantonen ervan gesteld. In de omstandigheden van deze casus heeft de Raad ook geen aanleiding gevonden om in dit geval een aanvullende voorwaarde voor het recht op kinderbijslag, als door gedaagde gesteld, acceptabel te achten. Daarbij acht de Raad van belang dat gedaagde op geen enkele wijze heeft aangetoond dat er in dit geval aanleiding bestond aanvullende voorwaarden te stellen.

Anders dan de rechtbank komt de Raad derhalve tot het oordeel dat appellant voldaan heeft aan het criterium dat op betrekkelijk eenvoudige wijze is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk betalingen voor het onderhoud zijn verricht en dat deze zijn opgenomen door de verzorger van de kinderen, zodat moet worden geconcludeerd dat in de in geding zijnde kwartalen aan de onderhoudseis is voldaan.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat gedaagde bij het bestreden besluit over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1997 ten onrechte de aanspraak op kinderbijslag voor [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5] heeft ontzegd. Dit betekent dat het bestreden besluit, voorzover betrekking hebbend op deze kwartalen, voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij dit gedeelte van het bestreden besluit in stand is gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 805,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad vast dat gedaagde aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 102,12 dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen de onderdelen van het bestreden besluit die betrekking hebben op het vierde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1997, ongegrond is verklaard;
Verklaart het inleidend beroep met betrekking tot deze kwartalen alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van 1.127,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van 102,12 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x