Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AF3444
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag met ingang van het kwartaal in geding op de grond dat door betrokkene niet wordt voldaan aan de opvoedingseis gesteld in artikel 7, elfde lid, van de AKW. Het kind bevindt zich nog in de invloedssfeer van zijn moeder. Van een exclusieve opvoedingsrelatie tussen betrokkene en zijn kind is dan ook geen sprake. Er is niet voldaan aan de duurzaamheids- en bestendigheidseis, zodat het kind reeds op die grond gedurende de in dit geding aan de orde zijnde periode niet kan worden aangemerkt als een pleegkind van betrokkene als bedoeld in de AKW.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/3269 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 28 mei 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellant ingaande het vierde kwartaal van 1998 kinderbijslag ingevolge de Algemene kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van het kind [naam kind].

Bij besluit van 11 oktober 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 12 mei 2000 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. M.A. Bos, advocaat te Dordrecht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 oktober 2002, waar voor appellant is verschenen mr. Bos, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[Naam kind] is het natuurlijk kind van [naam moeder], met wie appellant een relatie heeft gehad. Ten tijde van de geboorte van [naam kind] woonde [naam moeder] samen met [partner], die [naam kind] bij de geboorte heeft erkend. Appellant stelt de natuurlijke vader te zijn van [naam kind], maar hij heeft dit niet met bewijsmiddelen gestaafd.

Bij aanvraagformulier, gedagtekend 6 maart 1999, heeft appellant kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van [naam kind] met ingang van het vierde kwartaal van 1998. Aan de aanvraag is ten gronde gelegd dat [naam kind] sinds september 1998 bij appellant woont en dat vanaf die datum [naam moeder] niet meer aan [naam kind]'s onderhoud bijdraagt. Door appellant is verder aangegeven dat [naam kind]'s moeder haar kind gemiddeld twee maal per maand ziet.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam kind] niet kan worden aangemerkt als een eigen kind van appellant. Verder is niet in geschil dat appellant [naam kind] in de in dit geding relevante periode geheel heeft onderhouden.

In het bestreden besluit heeft gedaagde overwogen dat door appellant niet wordt voldaan aan de opvoedingseis gesteld in artikel 7, elfde lid, van de AKW. Uit de verklaringen van appellant leidt gedaagde af dat [naam kind] zich nog bevindt in de invloedssfeer van zijn moeder. Van een exclusieve opvoedingsrelatie tussen appellant en [naam kind] is dan ook geen sprake.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Overwogen is dat niet is gebleken dat [naam kind]'s moeder de feitelijke opvoedingstaak geheel uit handen heeft gegeven, dan wel dat zij niet meer bevoegd of in staat zou zijn belangrijke beslissingen ten aanzien van haar kind te nemen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat, ter zake van de in dit geding aan de orde zijnde kwartalen, het juridische gezag over [naam kind] rustte bij diens ouders. De Raad is evenwel van oordeel dat dit gegeven op zichzelf niet uitsluit dat [naam kind] door appellant is onderhouden en opgevoed als een eigen kind.

De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat een verzekerde slechts dan geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden indien de verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van het kind, de plaats inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind.

Naar het oordeel van de Raad kan, voor wat betreft de in dit geding aan de orde zijnde periode, niet worden gezegd dat tussen appellant en [naam kind] een nauwe en exclusieve relatie bestond als hiervoor bedoeld. Daarvoor is in een geval als het onderhavige waarin het juridische gezag niet rust bij de pleegouder zelf, in elk geval noodzakelijk dat de verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en bestendig karakter draagt.

In het onderhavige geval wordt kinderbijslag aangevraagd ingaande het vierde kwartaal van 1998. [naam kind] is eerst in september 1998 bij appellant komen wonen, terwijl appellant, naar uit de stukken blijkt, voordien geen enkele bemoeienis heeft gehad met (de opvoeding van) [naam kind]. Ter zitting van de Raad is overigens gebleken dat [naam kind]'s opname in het gezin van appellant intussen is beŽindigd. Appellants gemachtigde heeft dienaangaande verklaard dat [naam kind] niet goed paste binnen het nieuwe gezin van appellant.

De Raad concludeert dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven duurzaamheids- en bestendigheidseis, zodat [naam kind] reeds op die grond gedurende de in dit geding aan de orde zijnde periode niet kan worden aangemerkt als een pleegkind van appellant als bedoeld in de AKW en gedaagde met recht appellants aanvraag om kinderbijslag heeft afgewezen.

Uit het voorafgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J. Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x