Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AF4647
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-01-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag over kwartalen gelegen vˇˇr het derde kwartaal van 1998 omdat op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW, zoals dat artikel luidde tot 29 december 1995, het recht op kinderbijslag niet kan worden vastgesteld over tijdvakken gelegen drie jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Is terecht aangenomen dat er geen sprake is van een bijzonder geval waarin afgeweken kan worden van de hiervoor genoemde termijn van drie jaar, omdat betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag veilig had kunnen stellen door bij aanvang van de procedure over zijn aanspraak op AAW/WAO-uitkering een aanvraag om kinderbijslag te doen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4805 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens bij een tweetal brieven vragen van de Raad beantwoord.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van 14 december 2001 enkele stukken aan de Raad gezonden.

Gedaagde heeft desgevraagd bij brief van 21 maart 2002 gereageerd op deze stukken.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 december 2002, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant is kennelijk tot in 1990 werkzaam geweest in Nederland en heeft in ieder geval tot en met het derde kwartaal van 1991 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor zijn in Marokko verblijvende kinderen. Nadien is appellant teruggekeerd naar Marokko alwaar hij thans woont.

Bij brief van 10 mei 1993 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij over het eerste kwartaal van 1992 tot en met het eerste kwartaal van 1993 geen recht heeft op kinderbijslag voor zijn kinderen, omdat hij niet als ingezetene in de zin van de AKW kan worden beschouwd. Daarbij is appellant erop gewezen dat hij binnen twee maanden een "voor beroep vatbare beslissing" kan aanvragen als hij meent dat de beslissing onjuist is. Namens appellant is in bezwaar en in hoger beroep een kopie overgelegd van een brief welke volgens appellant door zijn echtgenote op 21 juni 1993 in reactie op de brief van 10 mei 1993 aan gedaagde is gezonden en waarin is medegedeeld dat appellant werkzaam is geweest in Nederland en dat hij ziek is. Tevens is in deze brief een registratienummer AAW/WAO van appellant vermeld en is verzocht alsnog de kinderbijslag te betalen.

Bij brief van 3 september 1998 heeft de echtgenote van appellant aan gedaagde verzocht kinderbijslag toe te kennen. Daarbij is een kopie van een beslissing van GAK Nederland B.V. van 1 mei 1998 overgelegd. Bij die beslissing zijn ingaande 21 juni 1991 aan appellant uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft vervolgens ingaande het derde kwartaal van 1995 kinderbijslag aan appellant toegekend.

Bij beslissing op bezwaar van 29 maart 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn besluit van 30 november 1998, waarbij kinderbijslag over kwartalen gelegen vˇˇr het derde kwartaal van 1998 is geweigerd, gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW, zoals dat artikel luidde tot 29 december 1995, het recht op kinderbijslag niet kan worden vastgesteld over tijdvakken gelegen drie jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Naar het oordeel van gedaagde was geen sprake van een bijzonder geval, waarin afgeweken kan worden van de hiervoor genoemde termijn van drie jaar, omdat appellant zijn aanspraken op kinderbijslag veilig had kunnen stellen door bij aanvang van de procedure over zijn aanspraak op WAO/AAW-uitkering een aanvraag om kinderbijslag te doen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval.

De Raad overweegt het volgende.

Allereerst stelt de Raad vast dat namens gedaagde ter zitting van de Raad is verzocht het bestreden besluit te vernietigen, omdat het onzorgvuldig is voorbereid nu niet is onderzocht of de door appellant overgelegde brieven zijn ontvangen en hoe daarop is gereageerd. De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, doch is van oordeel dat, gelet op het feit dat gedaagde reeds in de bezwaarfase bekend was met deze stukken en in hoger beroep naar aanleiding van vragen van de Raad geen enkel nader onderzoek naar die stukken heeft plaatsgevonden, er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat de door appellant overgelegde kopieŰn van brieven daadwerkelijk aan gedaagde zijn verzonden.

Tussen partijen is ook in hoger beroep slechts in geschil of gedaagde terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW, en of gedaagde op die grond terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen over kwartalen gelegen vˇˇr het derde kwartaal van 1995.

De Raad stelt vast dat gedaagde voor gevallen als het onderhavige, waarin eerst met terugwerkende kracht een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend en die toekenning ertoe leidt dat de betrokkene alsnog met terugwerkende kracht verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen, aan het begrip bijzonder geval aldus invulling heeft gegeven dat een dergelijk geval wordt aangenomen wanneer de betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag al eerder op enigerlei wijze veilig heeft gesteld. Gedaagde neemt aan dat daarvan sprake is als vˇˇr het tijdstip van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag is ingediend en betrokkene voldoende moeite heeft gedaan gedaagde in het kader van die aanvraag, of van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure, te informeren over de mogelijke toekomstige aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad acht dit in het algemeen een aanvaardbare invulling van het begrip bijzonder geval.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in ieder geval in of omstreeks 1992 kinderbijslag heeft aangevraagd en dat naar aanleiding van de weigering van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 1992, op de grond dat appellant geen ingezetene in de zin van de AKW was, aan gedaagde is medegedeeld dat appellant ziek was, waarbij tevens - onder meer - het registratienummer AAW/WAO van appellant is vermeld. Niet is gebleken dat gedaagde naar aanleiding van deze informatie nadere inlichtingen heeft ingewonnen dan wel enig nader besluit heeft genomen.
Nu appellant reeds in of omstreeks 1992 een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend spitst het geschil zich, uitgaande van gedaagdes invulling van het begrip bijzonder geval, toe op de vraag of appellant gedaagde toentertijd in voldoende mate heeft ge´nformeerd over zijn mogelijke aanspraak op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan gedaagde, bevestigend. Appellant heeft naar ┤s Raads oordeel gedaagde middels de brief van 21 juni 1993 in voldoende mate ge´nformeerd over zijn mogelijke aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voorts is niet gebleken dat gedaagde naar aanleiding van deze gegevens nadere inlichtingen heeft ingewonnen omtrent deze mogelijke aanspraak. De Raad is van oordeel dat in deze situatie van appellant redelijkerwijs niet verlangd kon worden meer te doen jegens (de beslissing van) gedaagde, aangezien nog onduidelijkheid bestond over zijn aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gedaagde heeft op grond van de toentertijd bekende gegevens in 1993 weliswaar een juiste beslissing genomen over de aanspraak van appellant op kinderbijslag, doch na kennisneming van de brief van appellant van 21 juni 1993 had het gedaagde duidelijk kunnen zijn dat het risico bestond dat achteraf zou kunnen blijken dat appellant wel verzekerd was geweest ingevolge de AKW.
De gevolgen van deze risiconeming komen voor rekening van gedaagde, hetgeen in casu moet leiden tot het oordeel dat ten onrechte geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW is aangenomen.

De Raad is verder - anders dan gedaagde - van oordeel dat op betrokkenen in deze gevallen niet de verplichting rust gedaagde over alle verschillende ontwikkelingen met betrekking tot de aanvraag om (of de procedure over) de arbeidsongeschiktheidsuitkering te informeren, aangezien slechts de definitieve toekenning (dan wel de hoogte) van die uitkering relevant is voor de eventuele verzekering ingevolge de AKW. Wanneer gedaagde echter desondanks in deze gevallen ge´nformeerd wil blijven over de hiervoor bedoelde ontwikkelingen, dan dient gedaagde de betrokkene eerst expliciet te verzoeken die informatie te verstrekken alvorens aan het eventueel uitblijven van deze informatie gevolgen verbonden zouden kunnen worden.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde ten onrechte heeft aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bijzonder geval. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet in stand blijven. Gedaagde zal met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten nu van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant betaalde griffierecht ad Ç 104,37 aan hem dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x