Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AK3444
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-07-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Levert de rapportage van de vertrouwensadvocaat, die in tegenstelling tot eerdere procedures in hoger beroep wel aan betrokkene ter beschikking is gesteld, een voldoende consistent beeld op om de reeds toegekende kinderbijslag in te trekken en terug te vorderen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5805 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft vervolgens aan gedaagde gevraagd of hij het in eerste aanleg gedane beroep op toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in hoger beroep wenste te handhaven.

Gedaagde heeft hierop de gedingstukken waarvan de kennisname in eerste aanleg was beperkt, zonder een dergelijke beperking, aan de Raad toegezonden. De Raad heeft deze stukken aan de gemachtigde van appellant toegezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 13 juni 2003, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant is op 10 januari 1965 in Pakistan geboren en woont in Nederland. Hij heeft gesteld dat hij op 26 mei 1987 is gehuwd met [naam echtgenote]. Uit een eerder huwelijk van [naam echtgenote] met [naam overleden echtgenoot] zouden vier kinderen zijn geboren, te weten Shamshad Iftikhar in 1984, Farat Iftikhar in 1985, Rahat Iftikhar in 1986 en
Imran Iftikhar in 1987. [naam overleden echtgenoot] zou op 15 januari 1987 zijn overleden. Uit het huwelijk van appellant en [naam echtgenote] zou in 1993 het kind Muhammad Umair zijn geboren.

In het kader van een breder onderzoek naar de rechtmatigheid van de betaling van kinderbijslag ten behoeve van, onder meer, in Pakistan verblijvende kinderen, heeft gedaagde appellant verzocht om gelegaliseerde documenten betreffende de geboorte van de kinderen, het huwelijk van appellant met [naam echtgenote], het eerdere huwelijk van [naam echtgenote] met [naam overleden echtgenoot] en het overlijden van [naam overleden echtgenoot]. Na ontvangst van een aantal van deze documenten heeft gedaagde besloten tot een nader onderzoek naar de juistheid van de beschikbare gegevens in Pakistan. Dit onderzoek is ingesteld door tussenkomst van de Nederlandse Ambassade in Pakistan en uitgevoerd door een zogenoemde vertrouwensadvocaat.

Op 15 januari 1997 heeft de Nederlandse Ambassade te Islamabad een ambtsbericht met betrekking tot het verificatierapport van de vertrouwensadvocaat aan gedaagde toegezonden. Volgens de vertrouwensadvocaat is [naam echtgenote] met [naam overleden echtgenoot] gehuwd geweest en zijn uit dit huwelijk drie kinderen geboren, te weten Shamshad, Rahat en Farhat. Deze kinderen zouden in Nederland verblijven. Imran en Umair zouden zonen zijn van [naam overleden echtgenoot], de broer van appellant, en Tahira. Alle bewijsstukken, met inbegrip van de huwelijksakte en de geboorte-akten, zouden zijn vervalst. Bij dit rapport zijn geboorteakten gevoegd van Shamshad, Farat, Rahat en Imran, alsmede de overlijdensakte van [naam overleden echtgenoot] s/o Nisar Ahmed. Deze akten zijn als vervalst gestempeld.

Bij primair besluit van 31 augustus 1999 heeft gedaagde de kinderbijslag van appellant met ingang van het derde kwartaal van 1992 ingetrokken respectievelijk geweigerd. Gedaagde heeft een bedrag van fl. 49.828,=, zijnde de kinderbijslag die hij vanaf het derde kwartaal van 1994 tot en met het vierde kwartaal van 1998 aan appellant heeft betaald, teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend en daarbij aangevoerd dat het rapport tegenstrijdige gegevens bevat zodat het onderzoek kennelijk niet deugdelijk is geweest.

Blijkens een brief van 11 januari 2000 gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft gedaagde gewezen op een aantal onduidelijkheden en mogelijke tegenstrijdigheden in het ambtsbericht en een aantal nadere vragen gesteld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bij brief van 23 mei 2000 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken laten weten dat [naam overleden echtgenoot] nimmer is overleden. Het huwelijk van appellant met [naam echtgenote] zou een polygaam en niet geregistreerd huwelijk zijn. Uit de relatie van appellant met [naam echtgenote] zouden geen kinderen zijn voortgekomen. De geboorteakten van de kinderen zijn door de ambassade als vals bestempeld aangezien geen bevestiging van de registratie van deze akten kon worden gevonden. [naam overleden echtgenoot] s/o Nisar Ahmed, zou een echte broer zijn van appellant en een andere persoon zijn dan Iftikhar, de eerste echtgenoot van [naam echtgenote].

Bij besluit van 2 januari 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, behoudens voorzover in het primaire besluit een besluit omtrent de wijze van invordering ontbrak. Daarbij is tevens aangegeven dat de SVB met toepassing van artikel 7:4 van de Awb geen inzage in ambtsberichten verstrekt in verband met bronbescherming en de door de vertrouwensadvocaat gebruikte onderzoeksmethoden.

Appellant heeft tegen dit besluit beroep doen instellen en daarbij gewezen op de tegenstrijdigheden en onjuistheden in de rapportage en de ondeugdelijkheid van het onderzoek van de vertrouwensadvocaat. In het bijzonder heeft appellant doen verklaren dat [naam echtgenote] geen polygaam huwelijk kon sluiten omdat dit krachtens de Pakistaanse wetgeving aan vrouwen niet is toegestaan, dat hij geen broer heeft die Iftikhar heet en ook geen Tahira kent, dat Umair zijn eigen kind is en dat geen van zijn kinderen in Nederland woont. Voorts heeft appellant laten weten dat de rechtbank inmiddels een echtscheiding tussen hem en [naam echtgenote] heeft uitgesproken, zodat het er voor moet worden gehouden dat dit huwelijk wel heeft bestaan. Ten slotte heeft hij zich beklaagd over het feit dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het gehele onderzoeksrapport.

Gedaagde heeft tijdens de procedure voor de rechtbank het ambtsbericht van de Nederlandse Ambassade met enkele daarbij behorende bijlagen, alsmede de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 23 mei 2000 aan de rechtbank overgelegd en daarbij onder toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat alleen de rechtbank kennis zou mogen nemen van deze documenten. De rechtbank heeft bij beslissing van 28 mei 2001 geoordeeld dat de beperking van de kennisneming van de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gerechtvaardigd was. Ter zitting van de rechtbank is namens appellant aan de rechtbank toestemming verleend om mede op basis van deze brief uitspraak te doen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat nu door of namens appellant geen nadere informatie is ingebracht waaruit blijkt dat de resultaten van het vertrouwensonderzoek onjuist zijn, gedaagde hieruit heeft mogen afleiden dat Shamshad, Rahat, Farhat, Imran en Umair geen eigen of aangehuwde kinderen van appellant zijn in de zin van de AKW. De rechtbank heeft voorts geen termen aanwezig geacht om de terugvordering voor onjuist te houden, en het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere stellingen doen herhalen en hieraan toegevoegd dat de rechtbank ten onrechte aan het echtscheidingsvonnis geen bewijskracht heeft gehecht voor wat betreft het hebben bestaan van een rechtsgeldig huwelijk tussen appellant en [naam echtgenote]. Gedaagde heeft hiertegen aangevoerd dat het echtscheidingsvonnis waarschijnlijk op onjuiste gronden is gebaseerd. Naar aanleiding van een vraag van de Raad of gedaagde het verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb in hoger beroep wenste te handhaven, heeft gedaagde de betreffende stukken zonder een verzoek om beperking van de kennisneming aan de Raad toegezonden. De Raad heeft deze stukken aan de gemachtigde van appellant doen toekomen.

In geding is de vraag of gedaagde op goede gronden de kinderbijslag over het derde kwartaal van 1992 tot en met het vierde kwartaal van 1998 heeft ingetrokken en aan appellant kinderbijslag over het eerste, tweede en derde kwartaal van 1999 heeft geweigerd, en of gedaagde terecht de over het derde kwartaal van 1994 tot en met het vierde kwartaal van 1998 betaalde kinderbijslag van appellant heeft teruggevorderd.

De Raad overweegt als volgt.

In hoger beroep heeft gedaagde niet langer verzocht om beperking van de kennisneming van bepaalde stukken met betrekking tot het onderzoek van de vertrouwensadvocaat. Ook de Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval geen belang bestaat bij bescherming van de onderzoeksmethoden zoals die door de vertrouwensadvocaat worden gehanteerd. Zowel het standpunt van gedaagde met betrekking tot de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb als dat van de rechtbank met betrekking tot artikel 8:29, derde lid, van de Awb kan dan ook niet worden gevolgd. Dit heeft tot gevolg dat aan appellant zowel tijdens de bezwaarprocedure als in beroep bij de rechtbank ten onrechte bepaalde informatie is onthouden, als gevolg waarvan naar het oordeel van de Raad een zodanige schending van een fundamenteel beginsel van bestuurs(proces)recht heeft plaatsgevonden, dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit reeds om deze reden moeten worden vernietigd.
De Raad heeft geen aanleiding gevonden de zaken terug te wijzen naar de rechtbank, omdat hij op grond van de hem ter beschikking staande gegevens de zaken zelf kan afdoen.

Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen en ook door de rechtbank is opgemerkt, is het voor de uitvoering van de AKW essentieel dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van de kinderen voor wie hij aanspraak maakt op kinderbijslag. Indien de verzekerde er niet in slaagt dergelijke documenten te verschaffen, rust op gedaagde niet langer de rechtsplicht kinderbijslag voor de betreffende kinderen te verschaffen en kan onder omstandigheden ook de grondslag aan de reeds toegekende kinderbijslag komen te ontvallen, zodat gedaagde tot intrekking en terugvordering daarvan kan of moet overgaan. Voor intrekking en terugvordering van reeds toegekende kinderbijslag op basis van de rapportage van een vertrouwensadvocaat is echter alleen dan plaats, als deze rapportage een voldoende consistent beeld oplevert en als er op de voor aanspraak op kinderbijslag relevante punten niet aan de inhoud van deze rapportage behoeft te worden getwijfeld.

Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval niet aan deze voorwaarden voldaan. Gedaagde zelf heeft naar aanleiding van het eerste ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een groot aantal nadere vragen aan dit Ministerie gesteld, omdat hij, naar 's Raads oordeel terecht, kennelijk van mening was dat dit ambtsbericht onhelder of innerlijk tegenstrijdig was omtrent onder andere het bestaan van het huwelijk tussen appellant en [naam echtgenote], de afstamming van de kinderen en de identiteit van [naam overleden echtgenoot].

Naar het oordeel van de Raad is deze twijfel door de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 23 mei 2000 in onvoldoende mate weggenomen. Onduidelijk blijft waarom de geboorteakten van Shamshad, Farat en Rahat als vals zijn aangemerkt, terwijl het Ministerie van Buitenlandse Zaken ervan uitgaat dat deze drie kinderen wel zijn geboren uit het huwelijk tussen [naam echtgenote] en Iftikhar. Onduidelijk is voorts waarom de akte van het huwelijk tussen appellant en [naam echtgenote] niet als vervalst is afgestempeld, als dit een ongeldig huwelijk zou zijn. Verder is naar het oordeel van de Raad geen duidelijkheid ontstaan over de identiteit van de eerste echtgenoot van [naam echtgenote], nu deze echtgenoot en de broer van appellant volledig gelijkluidende namen zouden dragen maar niet dezelfde persoon zouden zijn, en de pretense broer van appellant een andere vader heeft dan appellant. De Raad acht tenslotte van betekenis dat het rapport van de vertrouwensadvocaat blijkens de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor een niet onbelangrijk deel zijn grondslag vindt in vermoedens van de buren van appellant.

Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat het rapport van de vertrouwensadvocaat, ook na de nadere toelichting door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een onvoldoende consistent beeld oplevert en teveel twijfel oproept om de intrekking en terugvordering van de reeds toegekende kinderbijslag te kunnen rechtvaardigen.

Daar staat tegenover dat appellant er naar het oordeel van de Raad evenmin in is geslaagd de betrouwbare en valide documenten te verstrekken die nodig zijn om zijn aanspraak op nog niet uitbetaalde kinderbijslag te kunnen onderbouwen. Gedaagde heeft in het bestreden besluit dan ook op goede gronden kinderbijslag aan appellant geweigerd vanaf het eerste kwartaal van 1999.

Uit het bovenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot 644,= en in hoger beroep tot een bedrag groot 322,= ;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde recht van 131,59 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x