Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AM5383
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-10-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag. Is het gekozen traject van de betalingen (de onderhoudsverplichting) ten behoeve van de kinderen, die niet in Nederland verblijven, aannemelijk gemaakt?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2935 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Hertogenbosch van 23 april 2002, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn daarna nog enkele brieven aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 augustus 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote] en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.M.W. van der Ent-Elting, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant is afkomstig uit BosniŽ en is in 1995 naar Nederland gekomen, onder achterlating van zijn (ex-)vrouw en zijn kinderen Mersud, geboren [in] 1984, en Irnis, geboren [in] 1988. Vervolgens is appellant hier te lande gehuwd met [echtgenote] uit welk huwelijk in december 1995 een kind is geboren, voor welk kind gedaagde aan appellant kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) heeft toegekend. In maart 2000 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat de kinderen Mersud en Irnis inwonend zijn geworden op zijn adres te [woonplaats].

Bij besluit van 1 maart 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde zijn primaire besluit van 18 augustus 2000 gehandhaafd, waarbij met ingang van het tweede kwartaal van 2000 kinderbijslag voor Mersud en Irnis aan appellant is toegekend. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat appellant in maart 2000 heeft verzocht om toekenning van kinderbijslag voor hen, zodat mede gelet op artikel 14, derde lid, van de AKW de aanspraak op kinderbijslag is beoordeeld vanaf het eerste kwartaal van 1999. Gedaagde is van oordeel dat appellant vanaf het eerste kwartaal van 1999 tot en met het eerste kwartaal van 2000 geen aanspraak heeft op kinderbijslag, omdat hij niet heeft aangetoond de genoemde kinderen toen in belangrijke mate te hebben onderhouden, nu appellant niet elk onderdeel van het door hem gestelde proces waardoor de bijdragen aan de kinderen zijn afgedragen aannemelijk heeft gemaakt.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat het door gedaagde gehanteerde beleid, inhoudende dat bij de beoordeling van de vraag of op andere wijze dan per postwissel of bankoverschrijving aannemelijk is gemaakt dat de vereiste onderhoudsbijdrage is geleverd, niet voor onredelijk kan worden gehouden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant overgelegde gegevens niet voldoen aan het gehanteerde beleid, nu appellant de bijdragen contant heeft overhandigd aan personen die naar BosniŽ gingen terwijl hij de betreffende bedragen ook via een giro- of bankoverschrijving aan die personen had kunnen overmaken. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat niet is komen vast te staan dat de door appellant genoemde personen op de genoemde data in BosniŽ zijn geweest en dat de bedragen niet ten overstaan van een officiŽle instantie of beambte zijn overhandigd aan de verzorger van de kinderen.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat reeds in 1997 een aanvraag om kinderbijslag voor Mersud en Irnis is ingediend. Voorts is aangevoerd dat op grond van de door appellant overgelegde bewijsstukken met betrekking tot de bijdragen in het levensonderhoud van voornoemde kinderen aannemelijk is te achten dat appellant Mersud en Irnis vanaf 1997 in belangrijke mate heeft onderhouden. Ten slotte heeft appellant opgemerkt dat de rechter in eerste aanleg partijdig is geweest ten voordele van gedaagde en dat die rechter buiten de grondslag van het hem voorgelegde geding is getreden.

De Raad overweegt het volgende.

Allereerst merkt de Raad op dat niet is gebleken dat door of namens appellant voor maart 2000 reeds een aanvraag om kinderbijslag voor Mersud en Irnis is ingediend. Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat in of omstreeks 1996 -kennelijk in het kader van de aanspraak op kinderbijslag voor het in 1995 in Nederland geboren kind- aan gedaagde melding is gemaakt van nog in BosniŽ verblijvende kinderen, doch daarbij is toen aangegeven dat een aanvraag om kinderbijslag voor hen ingediend zou worden zodra appellant financieel in staat zou zijn de kinderen te onderhouden. Uit deze gegevens volgt reeds dat toentertijd geen sprake was van een ingediende aanvraag voor Mersud en Irnis, terwijl niet is gebleken dat nadien voor maart 2000 alsnog een zodanige aanvraag is ingediend. Dit betekent dat gedaagde op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW terecht heeft besloten de aanspraak op kinderbijslag te beoordelen vanaf het eerste kwartaal van 1999.

Voorts is tussen partijen in geschil of appellant recht heeft op kinderbijslag voor Mersud en Irnis over het eerste kwartaal van 1999 tot en met het eerste kwartaal van 2000. Nu de kinderen gedurende deze kwartalen niet behoorden tot het huishouden van appellant, bestaat voor appellant slechts aanspraak op kinderbijslag indien hij kan aantonen de kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. In een geval als het onderhavige hoeft dit, nu gedaagde heeft aangenomen dat gedurende de in geschil zijnde kwartalen normaal bankverkeer met BosniŽ niet mogelijk was, niet op de gebruikelijke wijze te geschieden, te weten door bewijs van overmaking per bank of internationale postwissel, maar kan het onderhoud ook op andere wijze worden aangetoond of aannemelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie van de Raad, onder meer blijkend uit de uitspraak die is gepubliceerd in RSV 99/230, volgt dat in een dergelijk geval mag worden verlangd dat de verschillende onderdelen van het gevolgde traject, alsmede de aangegeven chronologische volgorde, voldoende aannemelijk worden gemaakt.

Appellant heeft als bewijs van zijn bijdragen in het levensonderhoud van Mersud en Irnis allereerst verklaringen overgelegd van een viertal personen die verklaren op verzoek van appellant bedragen in Duitse marken naar BosniŽ te hebben gebracht. Deze verklaringen voldoen naar vaste rechtspraak van de Raad niet als afdoende bewijs van verrichte betalingen. Voorts zijn de gestelde betalingen ook niet voldoende aannemelijk te achten nu appellant niet beschikt over andere relevante bewijsstukken met betrekking tot de gestelde betalingen, zoals bijvoorbeeld omwisselbewijzen van guldens naar Duitse marken, opnames van zijn bank- of girorekening en gegevens met betrekking tot de reizen van die vier personen naar BosniŽ.

Ook aan de verklaringen van de kantonnale rechtbank te Bihac vermag de Raad geen doorslaggevende betekenis toe te kennen. Blijkens deze verklaringen is de kantonnale rechtbank op grond van inzage in het dossier gebleken welke bedragen appellant in 1997, 1998 en 1999 heeft overgemaakt ten behoeve van zijn kinderen. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat de kantonnale rechtbank deze verklaringen heeft gebaseerd op verklaringen van de familieleden en van de personen die de bedragen mee naar BosniŽ hebben genomen. De Raad is van oordeel dat onder deze omstandigheden aan de verklaringen van de kantonnale rechtbank geen andere betekenis toegekend kan worden dan aan de hiervoor besproken verklaringen.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellant de verschillende onderdelen van het door hem gekozen traject van de betalingen ten behoeve van Mersud en Irnis niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat gedaagde terecht heeft geweigerd kinderbijslag voor deze kinderen toe te kennen over de in geschil zijnde kwartalen.

Ten slotte merkt de Raad nog op dat uit de gedingstukken en hetgeen door appellant ter zitting van de Raad is verklaard, niet afgeleid kan worden dat de rechter in eerste aanleg blijk heeft gegeven van partijdigheid ten voordele van gedaagde. De door appellant in dit verband genoemde door die rechter gestelde vragen waren naar het oordeel van de Raad zinvol en reŽel in het kader van de toetsing van het door gedaagde gehanteerde beleid. Voorts is niet gebleken dat die rechter in zijn uitspraak buiten de grenzen van het aan hem voorgelegde geschil is getreden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x