Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AN8997
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-10-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van zodanige juridische, economische en sociale binding dat vastgesteld kan worden dat het middelpunt van het maatschappelijk leven in Nederland is komen te liggen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/317 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 november 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is - gevoegd met het geding onder nummer 02/316 AKW - behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 september 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar partner [naam partner], en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante is in april 2000 vanuit Litouwen naar Nederland gekomen. Appellante is met ingang van 17 april 2000 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij Nederlandse partner [naam partner]. Appellante staat sinds 10 augustus 2000 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van de gemeente Velsen. Appellante is op 26 april 2000 samen met haar zoon Saulius naar Litouwen teruggekeerd in verband met een aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf voor haar zoon. Op 15 juni 2000 zijn zij in Nederland teruggekeerd. Van 31 augustus 2000 tot 28 oktober 2000 hebben zij voor hetzelfde doel wederom in Litouwen verbleven. Gedaagde heeft appellante met ingang van het tweede kwartaal van 2001 aangemerkt als ingezetene ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Bij besluit van 27 november 2000 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van het derde kwartaal van 2000 geen recht heeft op kinderbijslag op grond van de AKW, omdat zij niet verzekerd is ingevolge die wet.
Bij besluit van 16 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde onder meer overwogen dat appellante op de peildata van het derde en vierde kwartaal van 2000 geen ingezetene was van Nederland.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 november 2001 het standpunt van gedaagde onderschreven.

Namens appellante is in hoger beroep (wederom) aangevoerd dat zij op de peildata van het derde en vierde kwartaal van 2000 wel ingezetene was van Nederland.

De Raad overweegt als volgt.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante op de peildata van het derde en vierde kwartaal van 2000 als ingezetene ingevolge de AKW kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag waar appellante woont wordt ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AKW beoordeeld naar de omstandigheden. Naar vaste rechtspraak van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van juridische, economische en sociale binding van de betrokken persoon, Nederlander dan wel niet-Nederlander, met Nederland. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen dat de betrokken persoon zijn/haar woonplaats in Nederland heeft.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor appellante op de peildata van het derde en vierde kwartaal van 2000 sprake is van een sterke juridische binding, aangezien aan haar per 17 april 2000 een verblijfsvergunning is toegekend. De Raad is voorts met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat er geen sprake was van een economische binding nu appellante ten tijde in geding geen arbeid in Nederland verrichtte en financieel geheel afhankelijk was van haar partner. De Raad is ten slotte met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat er op de peildata hier in geding nog niet gesproken kon worden van sociale binding met Nederland. Hierbij acht de Raad van belang dat appellante in het derde en vierde kwartaal van 2000 geruime tijd in Litouwen heeft verbleven, zij delen van haar inburgeringsprogramma heeft gemist, niet gebleken is dat appellante ten tijde in geding aangesloten was bij een vereniging of iets dergelijks en haar zoon pas op 30 oktober 2000 is aangemeld bij een school in Haarlem. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellante op de peildata van het derde en vierde kwartaal van 2000 reeds in Nederland lag.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x