Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AN9041
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-10-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aanspraak op kinderbijslag in geval van pleegouder-pleegkindrelatie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5072 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 augustus 2002, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 september 2003, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant heeft op 18 september 2000 verzocht hem kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen voor DaniŽl, geboren [in] 1987. Bij besluit van 20 april 2001 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen onder overweging dat DaniŽl niet als pleegkind kan worden aangemerkt nu de moeder van DaniŽl (hierna: de moeder) nog steeds de voogdij over DaniŽl heeft en er nog steeds contact is tussen de moeder en DaniŽl. Bij het bestreden besluit van 16 juli 2001 heeft gedaagde het besluit van 20 april 2001 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft appellants beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

In geding is of appellant met ingang van het vierde kwartaal van 1999 recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van DaniŽl. Daarbij staat centraal of DaniŽl met ingang van dat kwartaal (reeds) als pleegkind van appellant in de zin van de AKW kan worden aangemerkt, zodat voor hem op grond van artikel 7, eerste lid van de AKW aanspraak kan bestaan op kinderbijslag. Ingevolge artikel 7, elfde lid van de AKW wordt een kind als pleegkind beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Partijen verschillen er niet over van mening dat appellant DaniŽl onderhoudt, zodat het geschil zich toespitst op de vraag of appellant hem als eigen kind heeft opgevoed.

De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat een verzekerde slechts dan geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden indien de verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van het kind, de plaats inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind. Daarvan kan, in gevallen waarin het juridisch gezag over de kinderen (nog) niet rust bij de pleegouders, eerst gesproken worden wanneer de verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en bestendig karakter draagt.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat (reeds) op 1 oktober 2000 tussen appellant en DaniŽl een nauwe en exclusieve relatie bestond als hiervoor bedoeld. Hij neemt daarbij het volgende in aanmerking.

DaniŽl woonde aanvankelijk bij zijn moeder en verbleef op donderdag van circa 16.00 uur tot ongeveer 20.00 uur en eens per twee weken het weekeinde bij appellant. De moeder ontving kinderbijslag ten behoeve van DaniŽl. De voogdij over DaniŽl berust bij de moeder. Appellant, die stelt de biologische vader te zijn van DaniŽl, is toeziend voogd.

Appellant heeft verklaard dat DaniŽl in april 2000 bij hem is komen wonen. Dit wordt gesteund door een verklaring van DaniŽl zelf. De Raad neemt dit dan ook als uitgangspunt. Aanvankelijk was het verblijf tijdelijk bedoeld, doch in de zomer van 2000 besloot DaniŽl definitief bij appellant te gaan wonen, aldus appellant. DaniŽl verbleef op donderdag en om de week het weekeinde bij de moeder, zoals hij voorheen deze tijden bij appellant doorbracht. Op 10 augustus 2000 is DaniŽl in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van appellant ingeschreven. De Raad leidt uit deze inschrijving, die in beginsel slechts met instemming van de moeder als voogdes kon worden gerealiseerd, af dat de moeder er in augustus 2000 in heeft berust dat DaniŽl bij appellant ging wonen.

Gezien deze gang van zaken en het tijdsverloop sedert 10 augustus 2000, komt de Raad, mede gelet op de leeftijd van DaniŽl, die ten tijde hier van belang in staat was zelf mee te beslissen, tot het oordeel dat op 1 oktober 2000 gesproken kan worden van een nauwe en exclusieve relatie tussen appellant en DaniŽl welke een voldoende duurzaam en bestendig karakter draagt om DaniŽl als pleegkind aan te kunnen merken. Het feit dat de moeder de voogdij had en dat DaniŽl haar regelmatig bezocht, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Daarbij acht de Raad van belang dat niet gebleken is dat de moeder vanaf de zomer van 2000 enige rol van betekenis heeft willen vervullen in de opvoeding en verzorging van DaniŽl.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Ook het bestreden besluit dient te worden vernietigd, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep. Gedaagde zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van voor ambtshalve voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten niet is gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde recht van Ä 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2003.   

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x