Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AN9047
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-10-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een nauwe en exclusieve relatie tussen betrokkene en het pleegkind?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1737 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 februari 2002, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft de Raad nog een nader stuk doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 september 2003, waar appellante - na voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante heeft op 7 april 2000 verzocht haar kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen voor Brian, geboren [in] 1998. Bij besluit van 13 juni 2000 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen onder overweging dat Brian niet als pleegkind kan worden aangemerkt nu appellante niet de voogdij over Brian heeft. Bij het bestreden besluit van 8 december 2000 heeft gedaagde het besluit van 13 juni 2000 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft appellantes beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

In geding is of appellante over het vierde kwartaal van 1999 en het eerste en tweede kwartaal van 2000 recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van Brian. Daarbij staat centraal of Brian op 1 oktober 1999, 1 januari 2000 en 1 april 2000, zijnde de peildata van deze kwartalen, aangemerkt moet worden als pleegkind van appellante, zodat voor hem op grond van artikel 7, eerste lid van de AKW aanspraak kan bestaan op kinderbijslag. Ingevolge artikel 7, elfde lid van de AKW wordt een kind als pleegkind beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Partijen verschillen er niet over van mening dat appellante Brian in de hier van belang zijnde periode heeft onderhouden, zodat het geschil zich toespitst op de vraag of appellante hem als eigen kind heeft opgevoed.

De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat een verzekerde slechts dan geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden indien de verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van het kind, de plaats inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind. Daarvan kan, in gevallen waarin het juridisch gezag over de kinderen (nog) niet rust bij de pleegouders, eerst gesproken worden wanneer de verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en bestendig karakter draagt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op 1 oktober 2000, 1 januari 2000 en 1 april 2000 tussen appellante en Brian geen nauwe en exclusieve relatie bestond als hiervoor bedoeld. Hij neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Brian is geboren [in] 1998 en woonde aanvankelijk bij de moeder. Van 1 april 1999 tot in augustus 1999 was Brian bij een tante van de moeder, waarna hij weer enkele weken verbleef bij de moeder, die in verband met een drugsverslaving niet goed voor Brian kon zorgen. In september 1999 heeft de moeder Brian ondergebracht bij appellante, Brians grootmoeder van vaderszijde. De voogdij over Brian berustte ten tijde hier van belang bij de moeder. Nadat op 2 februari 2000 een rapport omtrent Brian was uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming, heeft de rechtbank Maastricht Brian op 1 maart 2000 op verzoek van die Raad onder toezicht gesteld, onder benoeming van de William Schrikker Stichting (hierna: de Stichting) tot gezinsvoogdij-instelling. Op 28 maart 2000 is Brian in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van appellante. Op 9 juni 2000 is tussen de Stichting en appellante een pleegzorgcontract afgesloten.

De Raad leidt uit de gedingstukken af dat het onderbrengen van Brian bij appellante in september 1999 geen definitief karakter had. Ook appellante ging er blijkens haar verklaring destijds van uit dat, toen de moeder Brian uit nood bij haar bracht, dit een tijdelijke zaak zou zijn. Voorts is van belang dat appellante in die periode bij de opvoeding van Brian afhankelijk was van de moeder, de voogdes, bijvoorbeeld voor het realiseren van de inschrijving van Brian op appellantes adres. Eerst na de ondertoezichtstelling kon die inschrijving door ingrijpen van de Stichting worden gerealiseerd. Na 1 maart 2000 was appellante afhankelijk van de Stichting, die zich bijvoorbeeld actief bemoeide met de omgangsregeling met de moeder. Eerst nadat de Stichting zich een beeld had gevormd over waar Brian het beste kon verblijven, is besloten Brian voorlopig bij appellante te laten, hetgeen is geformaliseerd met het eerdergenoemde pleegzorgcontract.

Gezien dit alles komt de Raad, mede gelet op de zeer jonge leeftijd van Brian, tot het oordeel dat op de hier van belang zijnde peildata niet gesproken kan worden van een nauwe en exclusieve relatie tussen appellante en Brian welke een voldoende duurzaam en bestendig karakter draagt om Brian als pleegkind aan te kunnen merken.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x