Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AO2884
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag op de grond dat de identiteit en zelfs het bestaan van het kind niet is komen vast te staan. Verificatie van gegevens van in Turkije verblijvende kinderen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5182 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant is mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 augustus 2001, nummer AWB 00/4031 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 november 2003, waar namens appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Brouwer, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. van de Nes.




II. MOTIVERING


Volgens een door het Turkse verbindingsorgaan Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK) afgegeven verklaring over de gezinssamenstelling woont de echtgenote van appellant met de navolgende zes kinderen in Turkije: Muhammed, geboren op 24 augustus 1986, Abide en Yakup, geboren op 15 augustus 1991, Elif, geboren op 5 juli 1994, Yunus geboren op 27 juni 1997 en Murat geboren op 17 juli 1998.

Gedaagde heeft aangevoerd dat in de praktijk is gebleken dat de rechtmatigheid van de toekenning van kinderbijslag of van vervolgbetaling van kinderbijslag niet gegarandeerd is indien deze plaatsvindt op basis van gegevens van het door het SSK ingevulde formulier TH 401. Gedaagde heeft daarom (ook) in appellants geval besloten een nader onderzoek in te stellen in Turkije naar de samenstelling van appellants gezin.

In dit kader heeft er door medewerkers van de Nederlandse ambassade op verzoek van gedaagde een onderzoek in Turkije plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek is allereerst het gezondheidscentrum in Calirkas bezocht, waar het gezin niet geregistreerd bleek te zijn. Nadat voorts gebleken was dat de door appellant opgegeven verblijfplaats onjuist was en het gezin in Hinkvet bleek te wonen, hebben de medewerkers de dorpsschool bezocht waar drie kinderen van appellant (Abide, Yakub en Elif) op school bleken te zitten. Abide en Yakub hebben onafhankelijk van elkaar desgevraagd medegedeeld dat hun vader [naam vader] heette en hun moeder Halide en het gezin uit vijf kinderen bestond, te weten zijzelf, Elif, Yunus en Murat. Op de vraag of zij een Muhammed Demirocak kende antwoordden Abide en Yakub, na eerst met Abide te hebben overlegd, dat hij een broer van hen was. De leraar van de school attendeerde de medewerkers erop dat de voertaal van de kinderen Koerdisch was en hun Turks slecht was, zodat de kinderen de vragen misschien niet goed verstaan hadden. Ook de daarop bezochte echtgenote van appellant verklaarde tot tweemaal toe dat zij vijf kinderen had. Dit in tegenstelling tot Halim Demirocak, een broer van appellant, die Nederlands verstond en verklaarde dat het gezin van appellant uit zes kinderen bestond, waaronder Mehmet, ook wel Muhammed Mehmet genoemd. De medewerkers hebben tot slot met Muhammed Mehmet gesproken die ouder leek dan vermeld in het bevolkingsregister (vijftien, zestien jaar) en die in tegenstelling tot de andere kinderen geen identiteitskaart kon overleggen. Verder onafhankelijk onderzoek in het dorp was volgens de onderzoeker niet mogelijk omdat hij bij iedere stap vergezeld zou worden door de familieleden van appellant. Voorts leverde een tweede bezoek aan het gezondheidscentrum niets op. Het voorgaande bracht de rapporteur ertoe te concluderen dat hij omtrent de identiteit van het kind Muhammed zijn twijfels behield.

Na kennisneming van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 21 juni 1999 aan appellant aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor Muhammed met ingang van het tweede kwartaal van 1999 ontzegd, omdat twijfels bestaan over zijn identiteit en zijn bestaan. Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellant twee nüfussen overgelegd en een nieuwe identiteitskaart van Muhammed omdat de oude verloren zou zijn gegaan. Muhammed had om deze reden zijn identiteitskaart tijdens het buitendienstonderzoek ook niet kunnen tonen. Voorts heeft appellant gesteld dat Muhammed in werkelijkheid 16 jaar is, maar dat door appellants vader eerst veel later geboorteaangifte is gedaan, waarbij deze tevens een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven.
Gedaagde heeft bij besluit op bezwaar van 29 februari 2000 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 1999 ongegrond verklaard, daartoe overwegende dat de identiteit en zelfs het bestaan van Muhammed niet is komen vast te staan.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde op grond van het in Turkije verricht onderzoek terecht heeft geconcludeerd dat het bestaan van het kind Muhammed niet is vastgesteld en dat appellant het bestaan van zijn zoon Muhammed niet overtuigend heeft kunnen aantonen.

In hoger beroep is namens appellant -kort samengevat- aangevoerd dat appellant het oneens is met de wijze waarop het onderzoek in Turkije heeft plaatsgevonden en hij zich niet kan vinden in de conclusies die aan het onderzoek zijn verbonden. Omdat tijdens het onderzoek geen gebruik is gemaakt van een tolk in de Koerdische taal en appellants kinderen en zijn vrouw de taal slecht, of zelfs in het geheel niet beheersen, heeft het onderzoek op een onzorgvuldige wijze plaatsgevonden en kan aan hun verklaringen geen waarde gehecht worden. Voorts meent appellant dat hij het bestaan van zijn zoon voldoende heeft aangetoond en heeft hij erop gewezen dat hij geen andere middelen heeft om het bestaan van Muhammed aan te tonen aangezien door gedaagde aan de door het SSK afgegeven gegevens wordt getwijfeld. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van een recht op kinderbijslag meer zorgvuldigheid in acht genomen dient te worden.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens vaste rechtspraak van de Raad is het voor de uitvoering van de AKW essentieel dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van kinderen voor wie aanspraak op kinderbijslag wordt gemaakt. De Raad stelt vast dat op grond van artikel 35 van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (Trb. 1968, 23), voor de toepassing van de AKW door het SSK de verificatie op de registratie en het bestaan van de in Turkije verblijvende kinderen plaatsvindt. De verzekerde hoeft derhalve zelf geen geboorteakten en levensbewijzen met betrekking tot zijn kinderen over te leggen. Op grond van de via het SSK verstrekte gegevens moet derhalve in beginsel aangenomen worden dat sprake is van betrouwbare en valide documenten als hiervoor bedoeld.

Dit laat echter onverlet dat wanneer gedaagde twijfelt over de rechtmatigheid van de verstrekte gegevens, hij, daargelaten nog de vraag of zulks gelet op de ratio van het Administratief Akkoord niet primair via het SSK zou dienen te geschieden, nader onderzoek daaromtrent kan (laten) verrichten. De uit zo'n onderzoek blijkende gegevens kunnen echter eerst aanleiding geven af te wijken van de met toepassing van het Administratief Akkoord verkregen informatie, wanneer uit de aangedragen gegevens op overtuigende wijze blijkt of afgeleid kan worden dat de betreffende kinderen niet bestaan dan wel de via het SSK verstrekte informatie anderszins onjuist is.

Hoewel uit het door de medewerkers van de Nederlands ambassade verrichte onderzoek ter plaatse in Turkije blijkt dat enkele gezinsleden (initieel) verklaard hebben dat het gezin uit vijf kinderen bestond en dat het kind dat zich als Muhammed presenteerde ouder leek dan vermeld in het bevolkingsregister en hij in tegenstelling tot de andere kinderen geen identiteitskaart kon overleggen, is de Raad anders dan de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek niet op overtuigende wijze blijkt of afgeleid kan worden dat Muhammed niet bestaat dan wel de via het SSK verstrekte informatie anderszins onjuist is. De Raad overweegt hiertoe dat het door de medewerkers verrichte onderzoek naar het bestaan van Muhammed naar het oordeel van de Raad te beperkt was nu de onderzoekers hun onderzoek voornamelijk hebben laten bestaan uit het ondervragen van familieleden die het Turks veelal slecht of niet beheersen en dat de in de rapportage getrokken conclusie niet ondubbelzinnig is nu de rapporteur daarin concludeerde dat hij omtrent de identiteit van het kind Muhammed zijn twijfels behield.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep in eerste aanleg gegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale verzekeringsbank.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant betaalde griffierecht ad € 104,37 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x