Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AO2909
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-12-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag op de grond dat betrokkenen met ingang van de datum in geding op grond van artikel 26, zesde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) niet langer verzekerd zijn voor de AKW. De kinderen wonen buiten de EU. De verhouding van KB 746 met internationale regelingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5948 AKW en 01/5953 AKW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1] (appellant 1) en [appellant 2] (appellant 2), beiden wonende te [woonplaats] (Marokko),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellanten heeft mr. M. Kaouass, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2001, nummers AWB 00/4124 AKW en AWB 00/4268 AKW.

Gedaagde heeft in zaak 01/5948 AKW een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 november 2003, waar appellanten zich - met kennisgeving - niet hebben doen vertegenwoordigen en waar namens gedaagde is verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Bij besluiten van 17 maart 2000 (appellant 2) en 21 maart 2000 (appellant 1) heeft gedaagde aan appellanten meegedeeld dat zij met ingang van het eerste kwartaal van 2000 geen recht meer hebben op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor respectievelijk Farah, geboren op 17 april 1975 en Abdelouahid, geboren op 22 juli 1978. Daarbij is overwogen dat appellanten met ingang van 1 januari 2000 op grond van artikel 26, zesde lid van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) niet langer verzekerd zijn voor de AKW. Evenmin kunnen zij aanspraak maken op kinderbijslag op grond van de in artikel 27 van dit Besluit opgenomen overgangsregeling.

De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren heeft gedaagde ongegrond verklaard bij besluiten van respectievelijk 7 juli 2000 (appellant 1) en 28 juli 2000 (appellant 2).

De rechtbank Amsterdam heeft de beroepen van appellanten tegen deze besluiten bij de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard. Anders dan appellanten is de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in artikel 26, zesde lid, van KB 746 noch strijdig is met de artikelen 3, 5 en 6 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34, verder: het NMV) noch met artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (PB L 264, blz. 1, verder: de Samenwerkingsovereenkomst).

Namens appellanten is in hoger beroep (wederom) gesteld dat artikel 26, zesde lid, van KB 746 strijdig is met de artikelen 3 en 5 van het NMV. Namens appellanten is voorts gewezen op de wijziging van artikel 5 van het NMV bij het Wijzigingsverdrag van 2000 (Trb. 2000, 97), welke wijziging onder meer ziet op de uitdrukkelijke opname van kinderbijslaguitkeringen in dit artikel. Volgens appellanten is met deze wijziging bedoeld een regeling te treffen voor de ontstane lacune in de Nederlandse wettelijke regelingen inzake kinderbijslag na de vervallenverklaring van artikel 26 van KB 746. Ten slotte is betoogd dat het bepaalde in artikel 26, zesde lid, van KB 746 in strijd is met artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 3 van het NMV is het beginsel van gelijke behandeling van Nederlandse en Marokkaanse onderdanen neergelegd. Dit beginsel verbiedt niet alleen een direct onderscheid naar nationaliteit, maar ook iedere indirecte ongelijke behandeling die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leidt. Tenzij zij objectief gerechtvaardigd is en evenredig aan het nagestreefde doel, moet een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend worden beschouwd, wanneer zij naar haar aard Marokkaanse onderdanen eerder kan treffen dan Nederlandse onderdanen en derhalve meer in het bijzonder Marokkaanse onderdanen dreigt te benadelen.
Dit laatste is aan de orde bij een bepaling die, zoals in de onderhavige gedingen aan de orde is, de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende postactieven beŽindigt.

Uit de nota van toelichting bij KB 746 en een beleidsnotitie van 29 mei 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, nr. 1) blijkt dat de beŽindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende postactieven is ingegeven door de wens van de regelgever om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren. Door in een ander land te gaan wonen, onderwerpt men zich aan de verantwoordelijkheden die de overheid van dat land zich tot doel heeft gesteld en derhalve ook aan de wet- en regelgeving van dat land, aldus de regelgever.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beŽindiging van de verzekeringsplicht, is geschikt en proportioneel. De Raad wijst er in dit verband bovendien nog op dat wat betreft de AKW in artikel 27 van KB 746 een ruime overgangsregeling is opgenomen.
Uit het voorgaande volgt dat artikel 26, zesde lid, van KB 746 niet strijdig is met artikel 3 van het NMV. Van strijdigheid met andere internationaalrechtelijke discriminatiebepalingen, zoals bijvoorbeeld artikel 26 IVBPR, is de Raad evenmin gebleken.
Artikel 5, eerste lid van het NMV, luidt als volgt:
"1. De uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een der Verdragsluitende Partijen, kunnen op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende woont op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt."

De Raad stelt vast dat artikel 5, eerste lid, van het NMV niet ziet op uitkeringen ingevolge de AKW. Reeds hierom kunnen appellanten aan deze bepaling geen aanspraak op kinderbijslag ontlenen en dient hun beroep op deze bepaling te falen.
De Raad merkt voorts op dat door de rechtbank terecht is overwogen dat artikel 5 alleen ziet op de vraag of recht bestaat op uitkering en niet op de voorvraag of de persoon in kwestie verzekerd is. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat artikel 5 zich er dan ook niet tegen verzet dat regelgeving in die zin wordt gewijzigd dat personen zoals appellanten niet langer als verzekerd worden aangemerkt. Het beroep dat appellanten hebben gedaan op de wijziging van artikel 5 bij het Wijzigingsverdrag van 2000, welk verdrag van 1 augustus 2000 tot 2 juli 2002 voorlopig werd toegepast, maakt het vorenstaande niet anders. Deze wijziging strekte enkel ertoe de export van kinderbijslag ook na de inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen mogelijk te maken.

Ten aanzien van het beroep van appellanten op artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst merkt de Raad op dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in een arrest van 20 maart 2001 (C-33/99, Fahmi en Esmoris Cerdeiro, gepubliceerd in RSV 2002/93 en USZ 2001/144) heeft geoordeeld dat een Marokkaanse werknemer noch zijn kinderen zich kunnen beroepen op het in dat artikellid neergelegde discriminatieverbod, wanneer de kinderen van deze werknemer niet binnen de Gemeenschap wonen (rechtsoverweging 57). De kinderen van appellanten woonden ten tijde in geding in Marokko. Het beroep van appellanten op voornoemde bepaling kan, zoals door de rechtbank en gedaagde terecht is overwogen, reeds om die reden niet slagen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x