Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AO4059
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Onderzoek naar het aantal kinderen waarvoor kinderbijslag wordt betaald via het Turkse verbindingsorgaan SSK. De uitkomsten van het in Turkije verrichte onderzoek voldoen niet aan de te hanteren maatstaf.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3930 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 juni 2001, nummer AWB 99/10009 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft gedaagde nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 november 2003, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant, afkomstig uit Turkije, woont sinds 1988 in Nederland. Zijn echtgenote, [echtgenote] is in april 1997 naar Nederland gekomen met het kind Emrullah, geboren op 7 december 1994. De tweeling Oktay en Fatih, geboren op 10 februari 1992, is in Turkije achtergebleven bij een broer van appellant, Ahmet Yildirim. In Nederland is op 21 januari 1998 het kind Murat geboren. Genoemde kinderen staan vermeld als appellants kinderen op een door het Turkse verbindingsorgaan Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK) op 2 juli 1998 afgegeven verklaring over de gezinssamenstelling van appellant.
Gedaagde heeft tot het vierde kwartaal van 1997 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan appellant toegekend voor de in de verklaring genoemde kinderen Oktay, Fatih en Emrullah.

Gedaagde heeft aangevoerd dat in de praktijk is gebleken dat de rechtmatigheid van de toekenning van kinderbijslag of van de vervolgbetaling van kinderbijslag niet gegarandeerd is, indien die toekenning of die vervolgbetaling plaatsvindt op basis van gegevens vermeld op het door het SSK ingevulde formulier TH 401.
In het kader van een onderzoek naar het bestaan van de kinderen van appellant ten behoeve waarvan kinderbijslag wordt betaald is door gedaagde besloten een nader onderzoek in te laten stellen in Turkije naar de samenstelling van het gezin van appellant.

Een eerste onderzoek in Turkije heeft plaatsgevonden in oktober 1997. In het dorp Yukari Ovacik, district Karakoçan, Elazig, is het huis van appellant bezocht. Daar werd aangetroffen een schoonzuster van appellant. Op de vraag hoeveel kinderen appellant had, antwoordde zij eerst één, maar ogenblikkelijk daarop drie. Op de vraag waar de tweeling verbleef, wilde zij geen antwoord geven. Verdere navraag in het dorp en bij de Jandarma van Basyurt, waaronder het dorp Yukari Ovancik valt, leverde geen relevante informatie op.
Op 12 en 14 oktober 1998 heeft een vervolgonderzoek plaatsgevonden. Bezoeken aan het gezondheidscentrum en de plaatselijke school leverden geen relevante informatie op. Verdere verificatiemogelijkheden ontbraken, aldus het rapport, aangezien de muhtar familie van de verzekerde is. Geconcludeerd wordt dat het sterke vermoeden bestaat dat men allerlei namen verwisseld heeft, maar dat de verzekerde uiteindelijk drie kinderen heeft van ongeveer de juiste leeftijd.

Na kennisneming van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde bij besluiten van 30 oktober 1998 aan appellant kennisgegeven van de beslissing om ingaande 1 oktober 1997 slechts kinderbijslag toe te kennen voor Emrullah en ingaande 1 april 1998 (ook) voor Murat. Voor de kinderen Oktay en Fatih wordt kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1997 tot en met het vierde kwartaal van 1998 geweigerd.

Bij beslissing op bezwaar van 1 oktober 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 30 oktober 1998 ongegrond verklaard. Overwogen wordt dat om onduidelijke redenen voor Oktay en Fatih wel kinderbijslag is toegekend over het tweede kwartaal van 1998. In bezwaar is aan de orde of terecht kinderbijslag is geweigerd over de overige genoemde kwartalen. Uit de rapportages van de in Turkije uitgevoerde onderzoeken en de andere beschikbare gegevens wordt geconcludeerd dat het bestaan van Oktay en Fatih niet is vast te stellen.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde op grond van het in Turkije verrichte onderzoek terecht heeft geconcludeerd dat het bestaan van de kinderen Fatih en Oktay niet is komen vast te staan. De rechtbank heeft in dat verband (mede) belang toegekend aan het feit dat appellant tegenstrijdige verklaringen omtrent de verblijfplaats van de kinderen heeft afgelegd.

In hoger beroep is namens appellant, kort samengevat, aangevoerd dat het onderzoek in Turkije de beëindiging van de kinderbijslag voor Oktay en Fatih niet rechtvaardigt.

De Raad overweegt het volgende.

Blijkens vaste rechtspraak van de Raad is het voor de uitvoering van de AKW essentieel dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van kinderen voor wie aanspraak op kinderbijslag wordt gemaakt. De Raad stelt vast dat op grond van artikel 35 van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (Trb. 1968, 23), voor de toepassing van de AKW door het SSK de controle op de registratie en het bestaan van in Turkije verblijvende kinderen plaatsvindt. De verzekerde hoeft derhalve zelf geen geboorteakten en levensbewijzen met betrekking tot zijn kinderen over te leggen. Op grond van de door het SSK verstrekte gegevens moet derhalve in beginsel aangenomen worden dat sprake is van betrouwbare en valide documenten als hiervoor bedoeld.

Dit laat echter onverlet dat wanneer gedaagde twijfelt over de rechtmatigheid van de verstrekte gegevens, hij - daargelaten nog de vraag of zulks gelet op de ratio van het Administratief Akkoord niet primair via het SSK zou dienen te geschieden - nader onderzoek daaromtrent kan (laten) verrichten. De uit zo´n onderzoek blijkende gegevens kunnen echter eerst aanleiding geven af te wijken van de met toepassing van het Administratief Akkoord verkregen informatie, wanneer uit de aangedragen gegevens op overtuigende wijze blijkt of afgeleid kan worden dat de betreffende kinderen niet bestaan dan wel de door het SSK verstrekte informatie anderszins onjuist is.

De Raad stelt vast dat uit het door gedaagde in Turkije verrichte onderzoek niet veel meer blijkt dan dat de kinderen Oktay en Fatih niet door de onderzoekers zelf zijn aangetroffen. Naar aanleiding van het tweede onderzoek concluderen de onderzoekers dat het sterke vermoeden is ontstaan dat allerlei namen zijn verwisseld, maar dat de verzekerde uiteindelijk drie kinderen heeft van ongeveer de juiste leeftijd.

De Raad constateert dat de uitkomsten van het in Turkije verrichte onderzoek niet voldoen aan de hiervoor geformuleerde, in een kader als het onderhavige te hanteren, maatstaf. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat uit de door gedaagde aangedragen gegevens op overtuigende wijze blijkt of kan worden afgeleid dat appellants kinderen niet bestaan dan wel de door het SSK verstrekte informatie anderszins onjuist is. Mogelijk tegenstrijdige verklaringen van appellant met betrekking tot de verblijfplaats van Oktay en Fatih - wat daar ook van zij - kunnen daaraan niet afdoen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep in eerste aanleg gegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve op € 966,-.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x